The Rose – 53

We staan voor de ijzeren muren van Malpheas.
We halen de vlindermaskers tevoorschijn. Eye of Autumn en Marina doen een rituele jacht op deze dieren, waardoor ze die gestalte kunnen aannemen. Dat kost even, dus we blijven een par uur buiten de stadspoorten wachten.
Uit de stad klinkt muziek. Aan de poort staan vier Blood Apes, in een harnas wat duidelijk gemaakt is van menselijke schouderbladen. Ze kijken hongerig naar ons. Als we aan de beurt zijn, presenteren we onze papieren. Eén vindt ze goed, de andere mompelt wat, waarschijnlijk in een poging om smeergeld te krijgen. Eye gebaart: “Wil je slaven of niet?” Dat slaat aan, hij zoekt er eentje uit: een oudere vrouw, wankelend, bedekt met zweren. Nu mogen we de stad in. Maar waar is het gildehuis? De Blood Ape weet het niet.
Eye ziet een mens lopen, en spreekt hem aan. Het blijkt een huurling te zijn. Hij wil vrije uittocht. Als we instemmen pakt hij zijn rugzak en sluit zich bij ons aan. We mogen hem Piet noemen. Hij weet wel waar het Gildehuis is.
Na een uur stevig doorlopen komen we bij het Gildehuis, het is een soort karavanserai met muren, een poort en een binnenplaats. Hij klopt aan. Er wordt opengedaan: “Hé Piet, jij hier? Ah, de karavaan, een halve dag te laat! Ik was al bang dat jullie niet zouden komen.”
In de deuropening hangt een gouden waas, binnen hoef je je vlindermasker niet op te houden. We vertellen dat de sjeik dood is. Een overval in de woestijn, door exalted.
“Die verrekte dragonblooded! De Factor zal niet blij zijn, hij zou afgelost worden.”
Die komt er inderdaad aan, met twee tot de tanden gewapende mannen. Ook hij vraagt wat Piet hier doet. “Ik ben ingehuurd door deze personen.” De Factor kijkt hem doordringend aan, maar zwijgt.
Om ons heen maakt men zich op om te vertrekken. Kisten worden op kamelen gehesen, mensen hijsen rugzakken op hun rug en dergelijke.
We horen Piet uit. Volgens hem is de handel met Creatie flink aangetrokken. Een half jaar terug waren het enorme aantallen spiegels om demonen op te roepen. Nu is men daar druk bezig met voorbereidingen op het huwelijk tussen de Scarlet Empress en de Ebon Dragon. Piet was weggestuurd omdat hij wat had met de dochter van de factor. Hij was de leerling-factor.

Eye hoort intussen de Factor uit. “Ja, Piet hangt meestal bij de stadspoort rond. Dat is de veiligste plaats voor een sterfelijke. Geef hem niet de sleutels van de geldkist of de drankkast. Factor maak ik hem niet. Hassan, mijn nieuwe rechterhand, zal hier best een half jaar langer willen blijven in ruil voor de promotie.” Piet is waarschijnlijk van het huis Cynis.
Wij krijgen een aanstelling voor een half jaar en worden voorgesteld aan Hassan, een corpulente man met een druipsnor. Hij is wat bruusk, niet in ons geïnteresseerd, en stuurt ons naar de barakken. Een van onze ‘bewakers’ wordt boekhouder, een andere kok.
Piet vertelt dat er ook een tegengif is voor de lucht, waardoor je zonder zo’n masker kan rondlopen. Het heeft drie ingrediënten, altijd hier op voorraad. Maar je moet alchemist zijn om het te maken. Het eindproduct bewaart de factor achter slot en grendel. Volgens Piet bestaan de taken hier uit het bewaken van de poort, lijfwacht spelen voor de factor als die de poort uitgaat, en bordelen bezoeken. “Overigens, waar blijft de soldij?” We gaan naar Hassan. Die knipt in zijn vingers. Uit de grond rijst een aarden golem op, hij doet zijn buik open en we zien stapels munten. We krijgen elk een shekel (8 obolen). Normaal is dat een jaarsalaris, hier is dat de betaling voor een maand: gevarengeld.
We nemen in de barak een kamer voor zes personen, met z’n vijven. Marina doet een All Encompassing Sorcerous Sight om de omgeving te verkennen. Het hele complex is “warded”, allemaal magische beveiligingen. En waarschijnlijk is er een permanente Plaza of Downcast Eyes actief. His vraagt de boekhouder of hij uit wil kijken naar kaarten. Die heeft nog niets gezien.
Tawuz stelt voor om onze bewakers dagelijks te laten trainen. Het houdt ze bezig, voorkomt dat ze gaan drinken en kletsen, herinnert ze dat er een terugtocht beloofd is en misschien worden ze er ook nog sterker en vaardiger door.

Op een gegeven moment klinkt van de straat geschreeuw en gekrijs. De deuren van de karavanserai slaan dicht. Iedereen moet naar binnen, luiken en deuren dicht. Door kieren zien we enorm fel licht. Het is de Bright Wind, een subziel van Adorjan. Sommige demonen spatten uit elkaar, in een ogenblik zijn ze verbrand. Als je erin kijkt word je blind.
De karavaan vertrekt. De oude Factor draagt het zegel over aan de nieuwe. Het is verbonden met de hele karavanserai en alle ‘wards’. Die gaan overigens nog een heel eind de grond in. Onder luid getrommel en gefluit vertrekken ze. Iedereen in deze stad is bang voor stilte: Adorjan, de Stille Wind.

Het verschil tussen dag en nacht is hier ondetecteerbaar. Volgens Piet is het verloop van de tijd wisselend. De enige tijdsaanduiding is een bepaald type demonen wat gaat krijsen als het in Creatie middernacht of noen is, en de ene keer slaap je wel drie keer tussendoor, de andere keer lijkt er heel weinig tijd tussen te zitten. Gelukkig hebben we onze personal assistants.
De groene zon Ligier schijnt continu. Rondom de zon buitelt een rode maan, Ululaia, een subziel van Kimberi, die continu van schijngestalte wisselt. Op het moment toont ze steeds haar volle zijde. Ongebruikelijk, maar op zich is ze totaal onvoorspelbaar dus niemand verbaast zich erover.
De volgende ‘dag’ worden we wakker met onweer. De zon is verduisterd, bliksemende wolken lopen op poten door de stad. We hebben erotische dromen gehad, zo diep dat we wakker worden in onze war-form. Alle andere mensen slapen diep, zelfs de dragonblooded. Af en toe breken de wolken en zien we de rode maan vol aan de hemel. We realiseren ons dat zij ons stabiel houdt onder deze demonische mentale invloed.
His gaat op onderzoek in de karavanserai. Hij steelt vijf potions waarmee je de lucht kunt ademen.
Op straat dansen en copuleren demonen. De regendruppels zijn mensendromen, en ze werken als verdovende middelen op de demonen. Eye krijgt een inval. Ze vangt wat regen op en geeft dat aan één van de wezenloze slaven te drinken: ze weet dat die zo geworden zijn omdat de fae al hun dromen gestolen hebben. De slaaf krijgt een glimp van intelligentie in zijn ogen. We slepen iedereen naar buiten. Langzaam maar zeker komen ze tot zichzelf. We vertellen ze de situatie en herenigen ze met hun familie onder de ‘bewakers’ (voor zo ver van toepassing). We drukken iedereen op het hart om voorzichtig te zijn zodat de Factor niets door krijgt.
We overwegen om Hassan te (laten) doden. His zou een rituele jacht kunnen doen. Uiteindelijk besluiten we dat het te riskant is omdat het zegel van het Gildehuis, met alle ‘wards’ er aan, op hem is afgestemd. In plaats daarvan proberen we hem met zijn allen rustig te houden. Hij is dol op eten, dus de kok slooft zich uit.

Volgens Piet was dit de yozi Hezra, de Typhoon van Nachtmerries. Dit is voorteken-weer. Als je dromen kunt lezen kunnen ze aanwijzingen bevatten. Er staat iets te gebeuren. Eye hoort een demon uit. Die droomde over seks. Eigenlijk hebben alle demonen over seks gedroomd. Dat is een ongekende ervaring voor ze, ze wisten niet dat mensen dat konden ervaren. Deze mate van genot krijgen demonen alleen als de Ebon Dragon langskomt. Maar daarna kun je niet meer tegen het licht van Ligier: je realiseert je wat je verloren hebt, en je trekt je terug in de catacomben om het te ontlopen.
De rode maan hangt nog steeds aan de hemel, vol. We hebben het idee dat Kimberi ons beschermt en aanmoedigt. Eye vraagt waar de tempel van Kimberi zit, er zo er eentje niet ver weg.
Maar we besluiten er nu niet naar toe te gaan en vaart te maken. We gaan dus op zoek naar het adres dat Ebon Rime ons gegeven heeft, en vragen Piet hoe we bij er komen. Voor één obool heb je het snelste transport. Hij vertelt ons niet hoe het werkt, dat zou de verrassing bederven.

Op de straathoek waar hij ons heen stuurt staat een gebouw in de vorm van een sokkel, met daarop het beeld van een man met zijn hand omhoog, en daarop net zo’n beeld, enzovoorts. De handelaar is een kikvorsachtige, die klotsende geluiden maakt. “Ja, dat kan, dat kost één obool.” Hij doopt de jaden munt in een bokaal met vloeistof, die lost erin op. De kikvorsman drinkt het op en spuugt een beeldje uit. Hij stuurt ons naar een dak een paar straten verderop. “Daar staat een gevangenisbol, duw die gewoon weg, en zet het beeldje neer. Daarna staat de brug, tot Malpheas weer beweegt.”
Op de aangegeven lokatie staat een grote bal met punten aan de binnenkant. Erin staat een humanoïde demon, die zich bij elke beweging prikt. His spreekt af dat ze een boon krijgt als ze hem los maakt. Ze krijgt een flesje met zijn bloed. Hij zit daar gevangen omdat hij een tweede cirkel demon heeft beledigd. Zijn vaardigheid bestaat uit het regelen van bedwelmende stoffen, alchemistische preparaten, en dergelijke. Hij kan ook manses ontwerpen. Maar eerst wil hij genezen.
Als hij weg is, zetten we het beeld neer. Het groeit en er ontstaat een twee meter brede brug die door diverse lagen van de abyss heengaat. We lopen een flink eind. Af en toe doorkruist de brug een plein. Dat gebeurt zeven keer, en dan komen we uit bij een prachtig plein, een kopie van het grote plein in Yu Shan. De brug eindigt op de toren van één van de paleizen, waar een gefrustreerde tweede cirkel demon net alle doorgangen naar de rest van het paleis aan het laten dichtmetselen is.
De architectuur in deze laag is onaangenaam. Althans, het lijkt op architectuur, maar het slaat nergens op. Alles wordt wel bewoond. Niemand stelt vragen bij onze aanwezigheid.
Het adres wat we moeten hebben ziet er uit als een binnenstebuiten gekeerde SM-kelder. Het is geschikt voor menselijke bewoning, net als 49 andere. Dat zijn dus de paleizen van de Green Sun Princes. Dus het adres zal van Ebon Rime zelf zijn.
Als we aanbellen doet een verwijfd lila jongetje open. Een neomah. Na enig aandringen laat hij ons binnen. Hebben we niet een lichaamsdeel over? Een voet? Of zelfs maar een moedervlek? Ebon heeft veel personeel, best veel neomah, en wezens die op grote mieren lijken. Het lijkt alsof we verwacht worden. Eén van de mierwezens heeft goede instructies gehad, weet wat we van plan zijn, en staat daar ook achter. De rest moeten we er onkundig van houden.

We horen het mierwezen uit. De Moeder van de Green Sun Princes zit in de lokale versie van de Pleasure Dome. Formeel is ze dragonblooded, maar enorm en zwakbegaafd. En heel lief. In het ideale geval ontvoeren we haar naar Creatie, waar de yozi’s geen exaltaties meer in haar kunnen stoppen om herboren te worden. Ebon wil dit, omdat hij van haar houdt. Als dit plan niet lukt, dan moeten we haar doden.
Dat tweede lijkt ons eenvoudiger, maar het mierwezen dat ons informeert, hoort bij haar verzorgers. Hij bevestigt Ebon’s verhaal dat ze doodongelukkig is. Als we dat zo aanhoren, besluiten we dat haar ontvoeren inderdaad beter zou zijn
His hoort de neomah uit. Die vertelt dat er na de aanval op Sol zeventien Green Sun Princes in wording zijn. Hij weet dat ze twee demonen in hun hoofd krijgen, en dat Ebon Rime er eentje kwijt is. Er zijn er nog een paar die dat gelukt is, maar ze houden het geheim. Voor het maken van Green Sun Princes gebruiken ze mensen die al hun principes verraden.

The RoSE – 52

De ruilbeurs breekt aan! Little Shu krijgt de hearthstone Adder’s Eye, die hij had uitgeleend aan Atis, terug. Xar, Phoenix en Eye of Autumn schaffen warstriders aan. Die van Phoenix wordt door Ghurkan betaald. Het zijn Noble warstriders, behalve die van Eye, die is Royal. Phoenix neemt de power mace uit Gaia. Atis en Sango willen het Solar Cannon graag bij de solar groep houden, dus die wordt niet aangeboden.
Olric en Marina gaan bij de nieuw gebouwde manse langs, die is gebouwd door een solar genaamd The Reaper. Ze informeren naar geomantische spreuken. Hij heeft er een aantal. Olric mag Parting of the Seas overschrijven, in ruil voor het regelen van snel transport. Hij wil ze meesturen met de No Moon lunars die naar het Book of Thee Circles gaan. Dat lukt, een heel jonge No Moon stemt er mee in. Hij blijkt The Reaper te herkennen als zijn solar mate.

De ruilbeurs is voorbij. De lunars moeten beslissen welke gate naar Malpheas ze gaan nemen. Na enige discussie wordt besloten dat ze met de solars mee naar Nexus zullen reizen, via een serie gates. We reizen via Yu Shan. Het is er nacht. Er staat één boze rode ster aan de hemel: Mars. Uit omringende straten en stegen klinkt wapengekletter en geschreeuw, het is oorlog. Over de koepel van de Games of Divinity ligt een krachtveld in de vorm van een kwal. De tentakels liggen in de stad, ook op dit plein. De dienstdoende Celestial Lion ziet het kasteteken van Ghurkan en leidt hem naar gate 49. “Een weinig gebruikte.” Hij zigzagt rondom tentakels heen, en vermijdt ook een paar andere plaatsen waar niets aan de hand lijkt te zijn. Onderweg ziet hij er steeds krijgslustiger uit. Hij moet zometeen gaan vechten. We houden hem niet op.
Wij komen uit in de tombe onder Nexus. Daar nemen solars en lunars afscheid.

De Lunars:
We stappen door de Gate. We komen in een grote woestijn. Het is nacht. De sterren blijken spiraalvormige vlekjes te zijn. Er is ergens een centraal punt waar de sterren naar toe lijken te stromen. His blijkt een demon-vorm te hebben, een Neomah. Een delicate paarse androgyne gestalte met veel piercings. Hij heeft een bijpassende vorm voor zijn daiklave: die ziet er nu uit als een grote maanzilveren dildo met stekels aan de onderkant. Hij is er erg trots op.
De eerste nacht maken we geen vuur. Eye neemt haar Ice Weasel-vorm aan en beschut de kouwelijke types. De volgende dag verandert het karakter van de woestijn: er zijn mesa’s. Het valt Marina en Shi Mei Lan op dat er rimpelingen ontstaan. Ze dirigeren ons snel naar een beschutte plek. Er komt een groot rotsblok naar beneden. Het kaatst tegen een paar van de mesa’s en klapt tegen bergmuren. Deze vlakte is een enorme flipperkast. Na een paar van deze incidenten besluiten we te gaan vliegen. His gaat op de rug van Tawuz, Eye als reuzen-bidsprinkhaan, Marina als sperwer, maar dan ter grootte van een kolibri, en Shi Mei Lan gaat als sharkbat.
De derde dag bevat de woestijn cactussen. Halverwege de dag komen we bij een oase. Er staan ezels, er lopen mensachtige gedaanten in ruime gewaden en er is een stokoud tempeltje. We besluiten om even te gaan kijken. Eye en Shi Mei Lan blijven achter, Tawuz en Marina gaan en His gaat mee in zijn gedaante als Neomah. We landen. Bedoeīnen met kromzwaarden versperren de weg. Ze willen ons geen water geven. His sist: “Wij zijn ambassadeurs.” “Oh, waarvan?” “Van de seks,” improviseert His.
“OK, per halve liter water één keer.”
We proberen nog toenadering te zoeken, maar de touareg wil zelfs zijn naam niet geven.
Tawuz gaat terug naar mensvorm en zegt: “Deze grap heeft lang genoeg geduurd. Ik ben van de familie Regenboog. Dit was bedoeld als beleefdheidsbezoek.”
De touareg neemt ons mee naar de sjeik. Die zit in een tent met schaarsgeklede dames. Ze blijken van het Gilde te zijn. Ze zijn op weg naar Malpheas, met een lading slaven: demonen zijn goed van betalen. Bij de vorige lading leverde elke slaaf het gewicht van zijn ziel op aan Chalcanth. Zielen wegen erg weinig, maar ook een kleine hoeveelheid Calcanth is extreem waardevol. De sjeik komt uit de woestijn in het Zuiden van Creatie. hij biedt aan dat we met hen mee kunnen reizen. Vóór pleit dat ze vrijbrieven hebben en maskers om de lucht in de stad waar ze heen gaan te kunnen ademen. We zeggen beleefd dat we er over na zullen denken en gaan naar de anderen.
Eye stelt voor om ze te doden, de slaven vrij te laten en hun maskers en vrijbrieven zelf te gebruiken. Daar is discussie over, maar Eye overtuigt ons. Met list, bedrog en neomah-charme weten we de karavaan over te nemen. Deze bestaat uit zo’n honderd wezenloze Wyld-slachtoffers, en vijftig inwoners van een overvallen dorp. We hebben bezwaren om degenen mèt bewustzijn te verkopen. Als we ze hier laten worden ze gevonden door de volgende gildekaravaan, als we ze terugsturen door de woestijn zouden velen dat niet overleven. Maar ze kunnen wel als bemanning functioneren. Aangezien we ze redden van slavernij of erger, willen ze graag meewerken. His bekijkt intussen de tempel. Hij heet Halfweg. Als je er in gaat, kun je niet verder dan halverwege de tempel komen. De andere helft houden ze schoon door de achterdeur te gebruiken.
We onderzoeken de tent van de sjeik. We vinden papieren op naam. We besluiten dat we de waarheid gaan vertellen: dat de sjeik de reis niet heeft overleefd. His gaat als mens – de aanhanger van Szofika. We willen verborgen houden dat we meer kunnen.

De vierde reisdag is heel zwaar, de vijfde juist eenvoudig. We arriveren bij een grote stad met ijzeren muren en bronzen poorten: Malpheas.

Xp: 7

Tanais – 66

Het gevecht gaat door. Risha is in de linkergang door twee ontplofte Shiragi vastgeplakt, en kan zich nog maar moeilijk bewegen. Voorbij de derrie ziet hij nog minstens zes rijen van die groene vrouwen. In de andere twee gangen blijven de Shuragi de weg versperren. Wat we van ze weten is dat Shiragi in wolken gifgas kunnen veranderen, ze hebben een hive-mind, ze worden gebruikt voor transport en communicatie, ze kunnen niet tegen zonlicht, maar wel tegen de aura van een solar, ze vechten vooral ontwijkend en als ze doodgaan veranderen ze in een plakkerige substantie. Iedere dode Shiragi geeft een -1 penalty op je Dodge DV, als die op 0 komt ben je bewegingsloos vastgeplakt.
Claude klimt met een Spider Climb charm tegen het plafond en slaat de bovenkant van de gang kapot, waardoor het plakspul niet langer aan het plafond vastzit. Maar er regent gesteente op Risha wat ook aan hem blijft plakken, waardoor hij zich nog moeilijker kan bewegen. Risha tovert zijn Zielezwaard tevoorschijn. Twee Shiragi werpen zich op hem en proberen hem met hun dolk te steken, maar de aanvallen ketsen af op zijn harnas. Claude schiet er eentje dood met een slingerkogel. Ze ontploft en Risha zit nu echt helemaal vastgeplakt.
Chang slaat aan zijn kant de weg vrij, Gwan probeert hetzelfde aan de andere kant. Maar Gwan heeft geen charm om steen kapot te slaan, dus dat maakt niets uit. De voorste Shiragi uit de andere gangen veranderen in gas, dat de kamer binnenstroomt. Gwan pakt zijn bijl en slaat een Shiragi – Splut! Hij krijgt ook derrie over zich heen. Chang klimt ook met Spider Climb tegen het plafond en schakelt over op pijl en boog. Claude wil Risha vrij gaan snijden, maar ontdekt dat de Shiragi hem naar achter aan het doorgeven zijn. Dan volgt hij Changs voorbeeld maar. Gwan probeert een omtrekkende beweging, maar hij wordt omsingeld.
Voor Chang is het prijsschieten. Hij combineert het met de charm Shadow Over Water, die hem aanvallen gemakkelijker laat ontwijken. Gwan posteert zich in een hoek en vecht defensief. Chang schiet er twee neer, Claude slingert er nog twee dood en Gwan pakt ook zijn boog. Risha wordt steeds verder de gang in doorgegeven. Het plakspul zit steeds strakker en ademen wordt nu moeilijk.
Nog vier Shiragi werpen zich in een zelfmoordactie op Gwan, die daardoor bijna helemaal vast zit. Claude schiet er nog eentje neer. Chang gaat naar de gang waar Risha doorheen gevoerd wordt, en elleboogt zich naar voren. Nog twee dames plegen zelfmoord bij Gwan en die zit nu ook helemaal vast. Chang ziet dat hij Risha niet gaat inhalen. Claude bidt tot Yamm of die Gwan wil bijstaan. “Ik kom niet tussenbeide als het mijn vriend Mot betreft.”
De Shiragi zijn boos dat we ongevoelig blijken te zijn voor hun gifgas. Vijf pakken Gwan en beginnen hem ook weg te voeren. Chang werkt zich verder door de rijen. Nog drie en dan is hij erdoor. Hij ziet hoe de achterste twee Risha oppakken en met hem weglopen. Claude veroorzaakt een instorting in de andere zijgang en krijgt kleefspul van drie dode Shiragi over zich heen.
Chang is er eindelijk doorheen en rent achter Risha aan. Claude schiet er nog een paar neer, nu vanaf een veiligere afstand. Gwan raakt daardoor klem in de opening en voor Claude is het verder prijsschieten. Chan schiet de twee draagsters neer en snijdt Risha vrij. Gwan wordt uiteindelijk ook bevrijd.
We krijgen het idee dat de zijgangen rondom de hele berg lopen. Dit is nog maar de bovenste laag van een enorm complex. We zijn in de berg die Chang enkele dagen geleden heeft beklommen onder invloed van de Eenoog-aanhangers. Waarom, wat hij er heeft gedaan herinnert hij zich niet.
Deze eerste kamer hebben we maar amper overleefd en er kunnen ieder moment versterkingen komen, dus we gaan maar terug. Om half acht komen we weer boven de grond, het schemert. Gwan en Risha maken zich schoon met zand. We zijn (nog) niet opgemerkt. We bedenken dat de soldaten uit Byblos hier ieder moment kunnen aankomen. Risha stelt voor om Jozias en zijn volgelingen hun kant op te lokken.
Opeens realiseert Gwan zich dat de tulbanden onder de grond Mot aan het aanroepen waren. En Yamm had het ook over zijn vriend Mot. Dit is waarschijnlijk de heilige berg van de doodsgod. We gaan de berg op. Om half tien pauzeren we. Gwan scry’t de kamer waar we hebben gevochten. Er is netjes opgeruimd en er zitten alweer nieuwe tulbanden Mot aan te roepen. Er is affiniteit tussen de Shiragi en de dood. Gwan, Risha en Claude roepen Yamm aan.
“En, komt Jozias al mijn kant op?”
“We willen hem lokken.”
“Maar dat lukt nog niet.”
Claude zegt: “De tulbanden en Shiragi roepen Mot aan. Maar Eenoog is monotheïstisch, dus waarom doen ze dat?”
“Jullie kennen maar de helft van het verhaal. Mijn volk bestaat uit sukkels. Ze hebben El aangeroepen, een god van de overkant. En die komt nu om tegen Mot te vechten.”
Risha: “Maar Eenoog is de gemeenschappelijke vijand, en die speelt vals. Hij zal deze strijd saboteren, net zoals hij de strijd tussen jou en Baâl wilde saboteren.”
“Ik wil dat Mot wint en mijn volk een lesje leert. Het gaat er om dat Jozias op de 21e geofferd wordt, maar dat gaat niet lukken. Hij zal te laat komen voor het offer en dan mag ik hen straffen. Maar, ik wil wel een woordje spreken met Mot. Laat de berg maar exploderen. Maak nu rechtsomkeert, kindertjes!”
We gaan er vandoor. Claude wil de mensen in het dorp gaan waarschuwen, maar Risha denkt dat we geen tijd hebben om het dorp te redden. Claude grist een willekeurig meisje mee, dan is er tenminste één overlevende.

20-v-R2
We komen bij zonsopgang aan bij het dodenveld. KLABAM! De berg ontploft! Er vormt zich een enorme schimmige afzichtelijke gestalte, Mot. We rennen het leger tegemoet. Maar de slag is al gestreden.

Tanais – 65

Even een aanvulling op het visioen in de vorige sessie: De graankorrels stonden voor de normale voorouders en de zwarte bronnen zijn de ‘popcorn’, de gevallen dat het mis ging. Het ligt allemaal zó ver in het verleden dat er geen namen meer zijn overgeleverd.

Chang’s belevenissen: Hij is onder de geestelijke invloed van de abyssals geraakt en naar de rebellen gestuurd. Onder de grond heeft hij van de Shuragi (groene vrouwen) een soort worst te eten gekregen en na een lange reis onder de grond komt hij boven bij een kampje tulbanden, zo’n twee uur lopen van de stad Arad. Hij laat zich vrijwillig boeien. Bij de stadspoort wordt hij aan de priesters van Yamm overgedragen. Onder veel bekijks wordt hij naar de klif gevoerd en in een kooi gestopt, waar hij tevreden uitkijkt over de draaikolk.

15-v-R2 ’s Middags hebben we met de draak gesproken, Daarna gaan we terug naar Arad. Om drie uur, terwijl wij onderweg zijn, materialiseert de draak. We zien hem vanuit de verte boven de klif uittorenen.
Yamm eist op briesende toon: “Ik wil het offer zien! Het schijnt dat het niet deugt!” Chang wordt gehaald door de nerveuze priesters.
“Hoe heet jij?”
“Chang.”
De draak spuugt hem helemaal onder, daar moet hij van braken en hij krijgt diarree met ernstige krampen. Na vijf minuten komt er een groot pulserend ding tevoorschijn. De betovering is verbroken. Chang wist niet dat hij het in zich had. Hij raapt het op en gooit het zo ver mogelijk weg. Na twee minuten klinkt er een luide explosie van onderaan de klif.
“Zo,” zegt de draak, “vertel eens wat jij hier doet.”
“Tegen mijn zin hier staan.”
“Misschien moet jij maar weg.”
Chang summont zijn slayer khatars. De priesters openen het forcefield voor hem. Hij vraagt waar hij de tulbanden kan vinden, zodat hij wraak kan nemen, maar ze letten niet op hem omdat Yamm precies op dat moment eist dat de stad op de 21e Jozias bij hem aflevert in plaats van Chang. Vijftig priesters knielen in aanbidding voor hun god. Chang grijpt er eentje in zijn lurven en stelt zijn vraag nog eens. “Het zijn gewoon achterlijke idioten,” zegt de priester verstoord, “ze wonen buiten de stad. Die kant op!” Hij wijst.

Ongeveer op dat moment komen de anderen de stad binnen. Het is hartstikke druk en chaotisch. Chang is ergens gaan zitten mediteren. Claude ruikt hem. “Gatverdamme, drakensnot! Mee naar het badhuis.” Daar vinden ze hem.

Nu we herenigd zijn, vindt Gwan dat we onze plicht verzaken als we niet meteen terug naar huis gaan. Risha en Chang willen op Jozias jagen. Claude wijst er op dat we hier illegaal zijn, dus we moeten wegwezen uit Arad. Gwan wil Jozias scryen, maar die kent hij helemaal niet. Dan beschrijft Chang de wadi en de ruïnestad met het gat naar de tunnels. Claude vindt in een winkeltje een gravure van de verlaten stad Yerech. “Ja, dat is het!” zegt Chang. Risha koopt de prent. Dan scryt Gwan waar onze tovenaars nu zijn. Ze varen tussen de ijsschotsen en hebben het naar hun zin.
Om 6 uur ’s avonds schepen we ons in en we kiezen het ruime sop. Onderweg bekijkt Gwan Bronwë in zijn glazen bol. Op het tempelplein zijn de brahmanen druk aan het bouwen, en ze eren de jongen met het paardenhoofd. Dicht bij het kasteel, pal naast de brug, is een klein heiligdom bijgebouwd.

17-v-R2
Met onze magie zij we in anderhalve dag bij de bossen naast Yerech. Langs de kust zijn kleine vissersdorpjes waar Yamm en Mot aanbeden worden, en er groeien veel myrrhe-struiken. We verstoppen de boot. De myrrhe is oogstrijp. We doen ons voor als handelaren, en Risha koopt voor vijftig goudstukken een muilezel volgeladen met het spul. In de stad zal dat honderd tot honderdvijftig goudstukken opleveren, in Soul nog veel meer. De boeren hier hebben geen problemen met ons, onze boot is herkenbaar als uit deze streek en onze vermomming is goed. We kletsen wat met ze. Ze vertellen dat het vanaf hier een halve dag lopen is naar de grote karavaanweg. Ze hebben niet zoveel last van de woestijnnomaden. “Die blijven in de woestijn. Er zijn wel conflicten geweest, respectloos vee laten grazen op onze weiden. Maar we hebben ze weggejaagd. Ze zeggen dat ze El aanbidden, maar het is een valse El. Niet die van Megiddo!” We overnachten in het dorpje.

18-v-R2
Om zes uur laten we de myrrhe achter in de boot. Met de muilezel gaan we de woestijn in. Na een uur komen we een stam grauwe nomaden met vale tulbanden tegen. Het zijn gewone mensen, ze waarschuwen ons dat we hier niet welkom zijn en sturen ons terug. We laten het niet tot een conflict komen, en doen alsof we afdruipen. Via een andere route bereiken we om drie uur de grote weg. Op het oog is het land leeg, maar er zijn genoeg sporen. Van achter een rotsblok staat een man met een katapult boos op. “Nu is de gazelle weg!”
Risha grijpt hem en Claude bindt hem vast. “Laat me los, vieze heidenen!” Na enige intimidatie door Risha is hij bereid om ons naar Yerech te leiden. Als het donker wordt, stelt hij een plek voor om te overnachten. Claude hoort dat hij liegt: dit is geen veilige plek. We doen alsof we hem geloven, maar zetten dubbele wachten uit. Na een uur voelen Gwan en Risha, die de eerste wacht hebben, iets kriebelen. Schorpioenen kruipen uit het zand omhoog, onze kleding in. We wekken de anderen voorzichtig en verkassen naar een rotsachtigere plek.

19-v-R2
Om zeven uur trekken we verder. Na een tijdje wil de man ons niet verder brengen omdat er stenen tombes in de woestijn liggen.
“We mogen hier niet komen,” zegt de gevangene, “dit zijn grafvelden, de geesten van de doden vinden het niet goed.”
We gaan toch door, en als er niks gebeurt, raakt hij meer gerust. Om twee uur ’s middags wijst hij vooruit: “Daar is de wadi.” Alleen Risha ziet de ruïnes: zijn ogen zijn door de Wyld-mutatie scherp genoeg. Hij laat de man vrij, die meteen wegrent.
Claude wacht even en gaat er dan stiekem achteraan. Hij schiet hem dood met de Sling of Prowess en verstopt het lijk. De anderen hebben niets door.

Hier is zelfs het woestijnstof grauw. We kunnen ons ermee vermommen. Als de anderen de ruïnes ook kunnen zien, komt er groen gas uit de grond omhoog. Chang is immuun gemaakt door de groene dames. De andere drie kunnen er weerstand aan bieden. Na twintig meter houdt het op. We zien vrouwen en kinderen rond een waterput. Claude vermomt zich als vrouw en spreekt ze aan. De vrouwen waarschuwen haar dat ze haar mond moet houden. De oudste jongen vraagt: “Wat komen jullie doen?”
Chang zegt: “Ons respect betonen.”
“Kom maar mee.”
Claude wordt bij de vrouwen achtergelaten, de andere drie gaan met het jochie mee naar de dorpsoudste. Die begroet ons hartelijk: “Je kunt je handen en voeten wassen en eten. Vanavond komen de mannen.”
Intussen probeert Claude de vrouwen tegen de mannen op te zetten. Er ontstaat inderdaad een ruzie. Even later moeten de vrouwen komen voor het vaste maaltijdritueel: voeten wassen, dadels, hapjes. Claude doet de voetwassing. Risha geeft het jongetje na het eten een zilverstuk. Die vertelt dat de meeste mannen onder de grond zitten en hij vraagt waar wij heen willen. “Naar Jozias.” Hij neemt ons mee naar een put net buiten de wadi. Daar is een wenteltrap. “Na vijf meter begint het gas.” Risha geeft hem nog een zilver en hij rent blij weg.
Chang maakt ons voor drie uur immuun. Hoe dieper we komen, hoe giftiger het gas. Vlak voordat het echt lethaal wordt, is er een zijgang. Er zijn sporen dat hier een flinke groep mensen naar binnen gegaan is. Het is een lange gang die in de richting van de berg loopt. Op een gegeven moment horen we monotone mannenstemmen. We treffen verderop een tweesprong. Zes mannen met tulbanden knielen voor een altaar waar net een bloedoffer is gebracht, een of andere vogel. Chang herkent één van de mannen. We vallen aan en winnen het gevecht, maar er gaat een alarm af. We doen alsof we bevangen zijn door het gifgas. Van alle drie de kanten komen vrouwen met groene huid aan, Shiragi, gecoördineerd door hun gedeelde bewustzijn.
Gwan slaat er een. Ze knalt uit elkaar. Er ontstaat een stroperige prut, een slijmvlies dat de uitgang verspert. Claude slaat tegen de linkermuur, om er omheen te tunnelen. Er achter staat nog een Shiragi, die Claude mist. Chang doet hetzelfde. Risha spring door het gat, in de armen van de vrouw. Hij slaat haar en ze spat ook uit elkaar. Nu zit de jonge koning tussen twee van die vliezen in.

Cliffhanger !

Inmiddels is in Arad de oorlog aan Jozias verklaard.

xp volgende keer

The RoSE 50 – aanvulling

Wederom : veel dank voor het verslag Inez.

Ik heb een paar kleine toevoegingen, waarvan de derde de belangrijkste is:

leger Leviathan
– dit was Eye

In de discussie herinnert iemand zich dat er ook een dragonblooded
gebruikt kan worden, en ook iemand die stervende is zou voldoen. Binnenkort is
er een veldslag bij het Heptagram…
– dit was Atis

Yu-Shan
– belangrijke toevoeging is dat diegenen die hierheen gaan, naast hetgeen dat al genoemd is, ook Yu-Shan proberen ‘aan onze kant te krijgen’: ergo dat Sphinxen, Lions en Dogs – en niet te vergeten goden – met ons meevechten. Vooral onder de werkloze goden moet dit tot enthousiasme leiden, omdat hierdoor wellicht portefeuilles vrijkomen die door – natuurlijk – alleen worden opgevuld door goden die meegestreden hebben aan oan onze kant. De keizerin heeft namelijk heell duidelijk al andere kandidaten op het oog voor die functies…en dat is niemand uit Yu-Shan

groet
Eric

Tanais – 64

Tanais 64 – 9-1-2014

Adrarn vertelt dat de god Ba’al meerdere tegenstanders heeft. De douanier heeft het bij het verkeerde eind. De tegenstander die dit seizoen moet worden verslagen is toch echt Yamm de Zeedraak, niet Mot de Doodsgod. Ba’al komt van de oostelijke oever, Yamm van de westelijke oever.

10-v-R2
We komen aan in Megiddo, en gaan direct naar Berek Pan. Als grootvizier woont hij intussen op de hoogste heuvel. Met zijn qartiaanse etiquette komt Adrarn gemakkelijk het oude paleis binnen. Zijn vader heet ons hartelijk welkom in het ouderwets ingerichte paleis. Claude vertelt dat we Chang kwijt zijn, dat hij het spoor bijster is en onder invloed van onze vijanden staat. Berek Pan kan zich niet voorstellen dat Chang een rol speelt in de godenstrijd: het zijn de goden zèlf die ten strijde trekken. Eentje gaat dood en komt een half jaar later weer tot leven. Voor het gevecht wordt aan Ba’al een eerstgeboren zoon geofferd en Yamm wordt gevoed met ‘hapjes vooraf’ als kippen, geiten, gevangenen… (Risha vraagt zich af: “Wat is er mis met ghee?”)
De kant van het land die wint heeft een half jaar lang voorspoed. Meestal wint Ba’al. Claude vraagt waar de voorbereidingen van Yamm plaatsvinden. Die zijn in Arad. Het gevecht zelf vindt plaats in de draaikolk, met volle maan. De eerste dag zijn de voorbereidingen, op dag twee is het gevecht en op dag drie de kroning van de winnaar. Volle maan, dat is de 23e, 24e en 25e van deze maand.
Berek Pan denkt dat er een djinn in Chang gevaren is. Hij gaat zijn informanten naar Biblos sturen. Ook wil hij Adrarn en ons “voorstellen aan Dagon”, een initiatie waarna we op plaatsen mogen komen die verder alleen toegankelijk zijn voor qartianen. Tot het avondeten mogen we eigen dingen doen. Gwan gaat de scry-er opzoeken, Claude wil naar de bibliotheek en Risha wil in bad.
Risha wordt in de hamam van het paleis verwend, erg leuk en zelfs een beetje leerzaam.
Claude leest over Arad, Ba’al en de zeedraak. De baas van Arad heet Bered Padon. Hij is streng in de leer. De stad heeft een uitgebreid cellencomplex, op de eerste dag van het festival wordt Yamm flink vetgemest. Hij leert dat het niveau van techniek op oud-grieks niveau ligt, het sluit goed aan bij zijn eigen uitvindingen. Maar het cellencompex is daarnaast ook zwaar beveiligd met magie, net als het voedergebied van de zeedraak.
Gwan komt bij de scry-er die hem begroet met muntthee. Samen kijken ze in de kristallen bol. Ze zien Chang met zes mannen met tulband resoluut een berg op lopen. “Woestijn uitschot,” zegt de gastheer, “het volk van Jozias. Er zijn problemen tussen de stad en het platteland. De rebellen, bandieten zijn nogal fanaten.” Het volgende beeld: aan de voet van de berg zien ze een heel oude stadsruïne met daarin een bedrijvig bedoeïenenkamp. Daarna wisselen ze nog wat tips uit en spreken af om morgen elkaars bol te gebruiken.
Als we voor het avondmaaltijd even bij elkaar komen, is Risha schoon en blij. Claude en Chang doen verslag en Claude gaat snel nog even in bad voor het eten. Tijdens de maaltijd vertelt Berek Pan dat zijn informanten vermoeden dat Chang is ontvoerd door de rebellen. Die zijn schatplichtig aan de stad en ze leveren zoenoffers in ruil voor een moeizame vrede. De stadsbewoners geloven in de echte goden, de nomaden zeggen dat er maar één god is: Eenoog. Risha waarschuwt dat dit niet zomaar een sekte is, maar een ziekte. Berek Pan zegt: “Het Grauw, noemen ze het hier. Jozias is hun profeet.” Risha vertelt dat er bij ons ook Eenogers zijn. Hij vermoedt dat ze het ritueel willen gaan saboteren. Als Chang Yamm verslaat leiden de goden enorm gezichtsverlies en kan Jozias meer zieltjes winnen.
Berek Pan legt uit dat het gecompliceerder is. Hij kan ons pas alles vertellen na onze initiatie, maar de ‘veilige’ versie luidt: “Wij Qartianen schrijven de werkelijkheid. En onze mythes kunnen we niet veranderen, anders gaat de werkelijkheid kapot.” Claude oppert dat dit misschien precies het plan van Eenoog is.
Die nacht kijkt Risha naar de sterren. Geeft de magie van de hobbits hem inzicht in astrologie? Hij ziet de Laars, met de supernova waardoor de brahmanen terugkeerden. Claude is paranoïde, zet vallen in zijn kamer en slaapt zelf in een stoel op de gang. Gwan slaapt gewoon.

11-v-R2
Ontbijt op bed. We worden gewassen en helemaal geschoren (bij Risha is dat nog niet zo veel). Dan krijgen we prachtige gewaden aan. We worden meegevoerd naar een marmeren hal diep in het complex. Acht priesters in paarse gewaden met torenhoge hoeden wachten op ons. Iets later komt de grootvizier. De vorst verontschuldigt zich! Dan gaan we met z’n allen een marmeren trap af naar de crypte, een kleine kamer met enorm veel nissen waar urnen in staan. Er is een tafel met stoelen er omheen. De priesters steken een vuur aan en beginnen te prevelen. We zien de god Dagan in een stoel aan de tafel zitten. Op de tafel ligt een stapel ongesorteerde graankorrels. Elk korreltje is verbonden aan een zwarte bron. Eén daarvan met de bron van Bronwë. Het visioen vervaagt. We hebben nu meer kennis. Elke graankorrel is een voorouder van de clan waaraan wij nu zijn voorgesteld, èn een potentiële magische bron. Die van Bronwë heeft drie uitgangen, waaronder Bronwë en Sorceror’s Well. De god kijkt naar ons met een verwonderde glimlach, en daarna met een opgetrokken wenkbrauw naar Berek Pan. Als laatste krijgt Adrarn een zeer waarderende blik. Wij mogen naar boven, de Qartianen blijven nog even omdat Adrarn de voorouders moet bewieroken. Daarna mogen we de priesters vragen stellen.
Onze vragen gaan voornamelijk over de bronnen. De priester zegt: “Elke Qartiaan wordt geholpen door een begeleider en die geeft hem de macht om wetten te schrijven, maar over alles heen moet dat in evenwicht blijven. Op het moment dat een Qartiaan de werkelijkheid ontwricht, breekt de realiteit en dat heeft een zwarte bron tot gevolg, met een of meerere uitgangen. Hoe ernstiger de ontwrichting, hoe meer uitgangen.”
Op een vraag van Claude: “De meeste bronnen bevinden zich natuurlijk in Melek Qart. Hoe meer bronnen, hoe heiliger de plek. De Negenbron is de hoogste, intrinsiek verbonden met Elsewhere. Acht, zeven en zes zijn ook alleen maar hier. Driebronnen, zoals die van jullie, treden soms ook wel op buiten Melek Qart.”
Risha laat het schrijftablet zien. De priester gniffelt. “Qartianen zijn zo machtig omdat we speeltjes kunnen uitdelen. Wij verhandelen goederen aan de bewoners van Elsewhere. Dit soort dingen is hun gerecyclede rotzooi.”
Risha vraagt naar het wereldkristal. Daar weet de priester niet zo veel van af. “Elsewhere is de navel van de wereld en die is de middelste van negen facetten.
Claude zegt: “Chang heeft een Cloack of Elsewhere. Kan dat een breuk in de realiteit veroorzaken?” “Nee, hij is geen ingewijd Qartiaan. Jullie ook niet. Jullie zijn Waarnemende Qartianen.”
Over de Negenbron: “Witte Druiven is de hoofdzetel van Elsewhere, het is een fata morgana. Elsewhere is de wortel uit min één, een imaginaire plek. Je kunt niet van de ene Elsewhere naar de andere, ze zijn uniek. Als er twee interacteren, ontploft het geheel en gaat het kapot. Die twee imaginaire plekken worden samen een reële plek.”
Over sorcery: “Voor ons Qartianen is er maar één soort magie, het schrijven van de werkelijkheid. Dagan is een collectief, meerdere personen in één god. Hij heeft de Negenbron gemaakt en het alfabet ontdekt. Met een alfabet kun je wetten schrijven, met hiëroglyfen niet. De oude geschiedenis van de Qartianen is vergeten, daarom doen we onderzoek naar de bronnen. Dao doet ook veel met Elsewhere.”
“De kans is groot dat de rebellen een realiteitsbreuk willen,” zegt Claude.
Risha vraagt: “Wat gebeurt er als je in een bron baadt?” “Dat is taboe. Je raakt tijd kwijt en je wordt gek.”
“En die stenen die soms boven komen?” “Die doen niets bijzonders. Het is iets voor verzamelaars.” “O, wij kunnen er mee onder water ademen.” Hij is benieuwd hoe we dat doen, maar blijkbaar is dit een solar ding.
Terug naar sorcery. “Wij denken niet dat Geb’s tovenaars hun magie van hun goden hebben. Die gaan over de sterren. Sorcery is meer een onafhankelijke grassroots beweging. Iedereen kan het leren, maar het is inferieur. Albion heeft elementaire magie, de sterrenwezens en de lunars hebben ook ieder hun magie. De hobbitmagie is van de Wyrd. Er zijn dus negen soorten magie, plus sorcery.”
Na het gesprek met de priester gaat Gwan nog even Chang scryen. Het is donker, Chang loopt met een fakkel door wormgangen met groen gas. Hij heeft zes groenhuidige shuragi bij zich. Chang lijkt immuun voor het gas.
Bij het avondeten zet Berek Pan dat de mensen van deze zijde in de quarantaineperiode niet aan de overkant mogen komen. Dus we moeten er uit zien als mensen van Byblos. Hij heeft een schip uit Byblos voor ons. We kunnen morgen vertrekken, maar Adrarn blijft thuis.

12-v-R2
Het schip ligt gereed. We gaan scheep naar Arad. Onderweg vermomt Claude ons. het is twee etmalen varen zonder onze hobbitmagie.

14-v-R2 ochtend
We zien de kliffen van Arad. De haven is een inhambaai iets ten Noorden ervan. We worden geënterd door de zeepolitie van Arad, die het schip doorzoeken, maar niets vinden. Als we in de haven komen, merken we dat het nu al druk is voor het festival. De herbergen zijn vol, dus we besluiten aan boord te verblijven.
Scry: Chang zit nu in een kamp in het struikgewas met hoge rang tulbanden van Eenoog.
In de stad is markt, het is er zo druk als op drie oktober in Leiden. Risha koopt een Yamm-verslaat-Ba’al broche en speldt die op zijn mantel. Claude let op tekenen van Eenoog in de stad. Hij hoort het gerucht dat het volk van Jozias dit jaar maar één gevangene levert als hapje vooraf voor de zeedraak, maar het is wel een heel bijzondere. De monotheïsten zijn zelf niet in de stad. Ze boycotten dit feest.
De kliffen het dichtste bij de draaikolk zijn afgezet met een magisch cordon. Daar worden de hapjes voor de draak vastgehouden. Het begint met kippen en eindigt met krijgsgevangenen. Voor de mensen hier is de draak niet het kwaad. Het is de kracht van water op aarde, de god van de landbouw. De tempel van Yamm ligt binnen het afgeschermde gebied. Daar mogen we niet komen. Maar kleine dorpjes hebben ook tempeltjes van Yamm.

15-v-R2
We vertrekken ’s morgens en reizen langs de kust naar het volgende dorp. Daar wonen vissers en landbouwers, Zij zijn polytheïsten, net als de stedelingen. In de namiddag komen we aan. De priester van het tempeltje aan het strand is een beetje verbaasd, maar snapt onze uitleg dat we in de stad de tempel niet in kunnen. Met Essence Lending Method geeft Risha 9 motes essence aan de priester, dat staat gelijk aan drie mensenoffers. De priester raakt helemaal geïnspireerd. “Holy Yamm!” Hij offert zijn eigen bloed, dat geneest meteen. Er is contact. Twee grote knipperende drakenogen, groot en ijl. Risha stelt zich voor als voorvechter van Oaken. De god is relatief sympathiek. “Waarom wil de voorvechter van Ba’al Oaken mij helpen?” “Het gevecht moet eerlijk verlopen. Eenoog gaat vals spelen.” Risha legt uit wat wij denken dat het plan van Eenoog met Chang is.
“Bedankt voor de waarschuwing. Chang gaat ontploffen. Het wordt geen realiteitsbreuk, maar de tulbanden hebben een bom in hem gestopt. Die zou afgaan terwijl ik aan het vechten ben. Mijn dankbaarheid is groot. Jullie mogen een gunst van mij vragen.”
“Wij willen Chang vrij.”
“Dan weiger ik hem als offer en laat hem laxeren. Misschien eis ik volgend jaar Jozias als offer. Laat de chaos maar hier uitbreken. Dank jullie wel!”
De god vervaagt weer.

3 Xp

The RoSE – 50

De Lunars, nog bezig met hun sacred hunt, voelen dat er iets niet in de haak was. Omdat ze wisten dat deze conjunctie er aan zat te komen, waren ze gestopt om te kijken. Marina denkt dat de zwarte aanvaller niet gebroken is, maar altijd al uit twee aanvallers bestond. Shi Mei Lan denkt dat er ook een aanslag op Luna is geweest, die is mislukt. Misschien wel omdat wij haar gewaarschuwd hebben?
Wij besluiten onze solar mates op te zoeken. Rakshi is weg, dus wij zijn niet meer aan onze spirit form gebonden. We kiezen een snelle vliegende vorm. [Continuïteit: het is volle maan, dus de lunars kunnen hun mensengedaante niet aannemen!]
Als we aankomen treffen we vijf verwilderd kijkende solars aan. Hun anima’s zijn op volle kracht, maar ze zien er anders uit: alsof vanuit het midden een zonnewind ze uit elkaar blaast. Met wat moeite spreken we ze aan. Eye of Autumn spoort ze aan: “Kom op jongens! Uithuilen en opnieuw beginnen!”
We besluiten dat we eerst de queeste hier, het openbaar maken van het Book of Three Circles, moeten afmaken. Eye hakt het hoofd van Rakshi af We zien dat ze opvallend weinig tatoeages heeft. Er zijn ook een aantal tekenen dat ze chimaera was: linker- en rechterhand omgedraaid, slagtanden verkeerd om, dat soort dingen. Als we naar haar stad lopen, vormt zich al snel een processie met blije mensen en bavianen.
We gaan de toren in en vragen aan de AI aan welke eisen een bibliothecaris moet voldoen. “Die hebben we allang niet meer gehad…” “En Rakshi dan?” “Die heeft zichzelf aangesteld.”
Sango brengt een offer aan Wajang. In de schaduwen ontstaat een gestalte. Ze spreekt hem aan: “Rakshi is dood. Er is een nieuwe bibliothecaris nodig, en wij moeten Sol wreken.” Wajang gebaart dat de boon voldaan is. Hij geeft aan dat er in Yu Shan een burgeroorlog is uitgebroken. De Eater of Souls in Yu Shan gevangen zetten was toch niet zo’n goed idee: die heeft de goden van vergeten zaken tot opstand aangezet, en met de val van Sol zagen die hun kans schoon.
We spreken over wie bibliothecaris zou moeten worden. Die wordt normaal door het Deliberative aangesteld, net als de rector. Mnemon? Doe moet vechten. Een god? Normaliter moet het een exalt zijn, en goden zijn alleen bezig met datgene waar ze god van zijn. Wajang zou nog kunnen, maar die heeft werk te doen in Yu Shan. Dan heeft Tawuz een idee: stel oudtante Regenboog aan! Daar kan iedereen mee leven. Ook besluiten we om een interim-deliberative uit te roepen. Sango heeft oudtante nooit ontmoet, dus Written On Water werkt niet. Maar ze kan één van de staven wel laden met de spreuk, waarna Shi Mei Lan hem gooit. Ze krijgt per ommegaande antwoord: tante ziet dringend om nieuw emplooi verlegen.
Ghurkan en Little Shu spreken de gorilla’s toe. Ze doen het goed, hun autoriteit wordt aanvaard. Ze gaan de toren van de orang utans belegeren. Sango is gealarmeerd: ze wil niet dat de bibliotheek beschadigd raakt. (De orang utans zijn de priesters van Rakshi en wonen in de toren van Wijsbegeerte en Theologie.) Ghurkan gaat op de orang utans inpraten om zich over te geven, maar is niet helemaal overtuigend.
De lunars gaan met Luthe oudtante ophalen. Eerst laten ze Ghurkan via de AI contact leggen met de AI van het Deliberative; die laat een oproep uitgaan over over 2 1/2 week, dag 4 van Resplendent Water.

De lunars van Rakshi komen terug uit het bos met een gevangen, gebonden griffioen. Zodra ze uit de Wyld komen, voelen ze dat de onnatuurlijke invloed van Rakshi is weggevallen en komen ze tot hun zinnen. De buizerd vliegt direct weg. We spreken de anderen aan. Eentje moppert: “Als ze echt chimaera was, dan had de raad van Elders haar allang veroordeeld,” Atis wijst erop dat Rakshi door solars gedood is, omdat ze een lunar aanviel, en suggereert: “What happens in Sperimin, stays in Sperimin.” Ze zijn het er uiteindelijk wel mee eens.
Ze willen graag mee vechten tegen de Green Sun Pinces. Little Shu draagt zijn gorilla-leger over aan de lunar die de beste leider is [meeste punten in War].
Als de lunars terugkomen wordt oudtante geautoriseerd. Ze vertelt dat An Teng zeer ordelijk is: geen bedelaars, openbaar vervoer loopt op tijd, nauwelijks misdaad. Doodsaai en bedrukkend. Tawuz en Marina stellen hun solar mates voor. Tante kijkt bedenkelijk: ze zijn een beetje beneden hun stand… “Maar zij is een sorceror en hij is generaal!” “Zo zien ze er niet uit.” “Dat is ook de bedoeling!”, glimlacht Sango.

We nemen afscheid en gaan naar Gethamane. Als we over de plaats vliegen waar Metagalapa hing, schijnt daar zonlicht. Het komt uit de grond, uit het shadowland!
Als we aankomen in Gethamane blijken de dragonblooded terug te zijn van hun queeste. Ze vertellen wat ze allemaal geleerd hebben. Er zijn ook tien weerwolven. Het zijn niet, zoals we eerst dachten, gemankeerde lunars, maar merkwaardig geklede mensen met veel haar en grote zilveren zwaarden.
Ebon Rhime heeft een boodschap achtergelaten: een kist met daarin een groen zwaard met allemaal kleine runes. His bekijkt het met zijn derde oog. Dat doet pijn! Het past bij het harnas van Little Shu. En het voelt goed. De inscripties zijn demonische bezweringen tegen alle mogelijke Perfect Defense-charms. Dit was één van de zwaarden die Sol heeft gedood! Daar kunnen we Sol wel mee wreken. Olric (één van de dragonblooded) zegt dat het zwaard nog van belang kan zijn voor een volgende zonnegod. Er zit nog een briefje bij aan Marina, waarin hij schrijft dat hij diep undercover zit. Er staat een adres in Malpheas bij. Als we de Mouse of the Sun bij het zwaard zetten, kan hij weer praten. Sinds de dood van Sol piepte hij alleen nog maar. We concluderen dat Ebon bij de moord aanwezig geweest moet zijn, dat Sol hem herkend zal hebben en een deel van zin essentie in het zwaard heeft laten overgaan. Diep undercover, inderdaad!
De dragonblooded laten de objecten zien die ze hebben gevonden: een jaden harnas wat gerepareerd moet worden, een Solar Cannon, een Power Mace, de Golden Asp. Sango zegt dat de dragonkings in de factory cathedral dat harnas best kunnen repareren. Olric kijkt heel geïnteresseerd. Hij zou graag mee willen.
Little Shu stelt voor om te overleggen met Kimberi. Die zegt dat de troepen gereed zijn voor een eerste gevecht. Met wat heen-en-weer praten wordt bedacht dat de keizerin ongetwijfeld het Heptagram zal willen aanvallen. Kimberi zegt dat er een obelisk van de Bird People staat. We vertellen haar dat we daar een stam van ontmoet hebben. Ze begint te grinniken, daar kan ze wat mee! Ze is ook blij dat we Metagalapa hebben. Die moeten we vooral bij Rathess laten, we willen niet dat de keizerin er achter komt dat we die hebben. We communiceren via de commandocentrale in Gethamane met  de dragon king in Metagalapa. Die belooft een paar Bird People te sturen.
De dragonblooded vertellen ook over een nieuwe primordial. Kimberi is geïnteresseerd. Het zou inderdaad de reïncarnatie van Vodak kunnen zijn.

Wij willen via de grafheuvel naar de factory cathedral, maar hoe? Luthe moet in Gethamane blijven voor reparaties. Het troepenschip uit Rathess is handig voor de strijd, het zeilschip is te traag. Maar gelukkig kan Sarina ons allemaal meenemen met Cloud Trapeze. Ook de dragonblooded gaan mee. We vliegen via de Heilige Berg, daar is een poort naar de graftombe.
Als we boven het Blessed Isle vliegen, ruiken we dat het stinkt naar zwavel en rottend huisvuil. Het voelt ook alsof je Virtues omgekeerd zijn: je sterkste eigenschap is het gemakkelijkst om tegen in te gaan. De rondweg is nog wit. Veel andere wegen zijn net zo schoon, maar groen. Het is malachiet. Een paar keer zien we grote lichtgevende zegels in het landschap. In verschillende kleuren gewas blijken demonische zegels in het landschap te zijn aangebracht. Er overheen vliegen kan niet, dan worden we misselijk. Rondom het Heptagram zitten een heleboel van dat soort zegels.

Als we bij de Heilige Berg komen, kijken de dragonblooded hun ogen uit. Wat een mooie stad! Een enorm beeld samengesteld uit vier dragon kings! En het uitzicht! Vooral Gar is opgetogen om op de elemental pole of Earth te zijn. We landen helemaal op de top. Er is al een keten aangebracht, nodig voor het opheffen van de Great Curse.
Beneden hebben al een aantal groepen kamp opgeslagen. Er is een kasteel uit de grond aan het groeien. Het is erg druk bij de tempel van Sol. Daar treffen we vijf solars in gouden harnassen die overleggen met de dragon king priester. Het zijn de power rangers, hun uitrusting heeft een upgrade gekregen. De zegels in het landschap zijn volgens hen een natuurlijk onderdeel van het land: het zijn loci van de goden die hier vóór de Primordial War hun zetel hadden. (De power rangers hebben duidelijk bijgeleerd!)
In het gebouw van het Deliberative vinden we neef Wijsheid met een witte kat en een vijftienjarig meisje. We vertellen dat oudtante de nieuwe bibliothecaris van Sperimin is. “Rakshi dood? Dat zullen de elders niet leuk vinden!” De witte kat spitst de oren. Wijsheid stoot het meisje aan, die van gedaante verandert. Het blijkt de Marukhan siderial te zijn. Ze vertellen dat Mnemon ook nog één dag langskomt. En de siderials uit Rathess komen nog, maar die mompelden iets over het laten herrijzen van Sol. De siderial zegt dat hij nog een scroll heeft die ze nodig hebben.

Xar wil de hele berg beklimmen. Dat praten we uit zijn hoofd, het is zeker een maand lopen. We gaan naar de gate onder het gerepareerde beeld van Ghurkan (het lijkt nu op hem en niet meer op zijn vorige incarnatie) en via de graftombe naar Sango’s factory cathedral. In de bomen wonen nu dragon kings. Ze heten ons welkom. Door de kennis uit de kinderliedjes van Gethamane hebben ze zich weer meer herinnerd. Ze hebben allemaal magische voorwerpen en zijn erg gemotiveerd. De oudste vertelt dat hij bezig is aan een interface met het Observatorium van de siderials in Rathess. Het is gemaakt met een blok stermetaal wat hij in de kelder vond, achter een aantal beveiligingen. Het is nu nog een full body suit, maar hij wil het systeem uiteindelijk verkleinen tot een helm. Je kunt alleen kijken, niet ingrijpen.
Sango trekt het pak aan, de anderen kijken mee via schermen. Ze komt in een ruimte die vol hangt met draden. Iedere draad is verbonden met een ster aan het firmament. Ze raakt er één aan en ziet een oude eik op het moment dat die wordt omgezaagd. Als ze de draad  volgt, zien we dat er een tafel van wordt gemaakt verderop zien we de keizerin met een aantal demonen vergaderen aan die tafel. Sango kan die scene ook via andere draden bekijken, maar krijgt nooit een draad te pakken van haar of van een demon. Bij de oude Loom of Fate waren abyssals en demonen ook niet te zien, maar daar zag je ze ook niet vanuit andere gezichtspunten. Via een andere draad ziet ze een oud landhuis op de Oostkant van de Imperial mountain, waar een grote veldslag zal plaatsvinden.
Als ze dichter bij het centrum komt, krijgt ze het gevoel alsof ze zich bijna iets herinnert. De dragon king zegt dat hij op dat punt het gevoel krijgt alsof er iets in zijn ooghoeken beweegt. Olric stelt voor om verschillende types exalts te laten kijken. De dragon king vindt dat een goed idee. Hij zal meer pakken maken, zodat meerdere mensen tegelijk kunnen kijken.
Dan gaat His het proberen. Hij hoort de draden zoemen, en vangt soms ook gesprekken op. Hij vindt een moment van een audiëntie van de keizerin met een ambassadeur. Ze vertelt dat de Imperial Manse bijna klaar is. (Dit is negen maanden in de toekomst.) Als het Sword of Creation gebruikt wordt, levert de ambassadeur tienduizend man. Hun enige doel is sterven, maar dat weten ze niet. His zet zijn demonische oog aan. De zaal is helder verlicht, de troon is een machtig magisch artefact en zij die erop zit is beeldschoon! Waardig om de keizerin van Creatie te zijn, van Malpheas, de Wyld, alles! His is geslagen met aanbidding. Ze kijk hem recht aan, en glimlacht. De dragon king haalt hem uiteindelijk uit zijn trance.
Daarna mag Gar. De dragonblooded ziet leylijnen en magma. Bij hem zit in het centrum een zwaard in de grond, een zwaard wat hij per sé niet wil aanraken. Dat zal het Sword of Creation zijn.
De dragon king zegt dat hij nu weet dat wat je precies waarneemt van je primaire zintuig afhangt. Dus het wordt toch geen helm. Hij moet handschoenen voor de tastzin maken, laarzen om trillingen van de grond te voelen, etc. Dus toch een compleet pak.

De bestelde twee dot artefacten zijn klaar.

Tanais – 63

Tanais 63 – 5-12-2013

We zitten in maand 5, ik was per abuis een maand teruggegaan.

5-v-R2, het is een mooie dag.
Om een uur ’s middags gaan we aan boord van onze luxe galei met ieder een eigen kajuit. Om ons heen varen de negen schepen van de tovenaars, met hun personeel, vrouwen en hele huisraad. (Twee van de tovenaars zijn vrouw, die hebben hun man mee.) Voor we vertrekken wil Karoen de zegen van de goden, met name Isis, afroepen. Een belangrijk moment, met veel wierook.
De tovenaars stellen zich voor. Allereerst natuurlijk Karoen Hotep. Dan een bleke man die Bilgier Nam heet. Fastenos is een gespierde kerel. Bubastihotep is een liefdestovenares. Sobek Ti is een militantere vrouw. Dan is er nog de kleine man Bes Hotep. Nazir Gurki, een rijzige blonde kerel met een haakneus. De geleerde Drilim Kozer, met een brilletje. Als laatste stelt zich de modebewuste Brizent voor, in blauwe gewaden. Hun galeien zijn overigens wel wat groter dan de onze. Om drie uur kunnen we uitvaren.
We varen naar het Noorden. Het blijkt dat onze zeilkunst toch beter is dan de hunne, dus we gaan achter hen varen om de wind in hun zeilen te toveren. Het gaat nog steeds langzamer dan we zouden willen, maar sneller dan zij gewend zijn. We genieten van de reis. Om zes uur wordt het donker. Chang gaat slapen, wij varen door. Het is een mooie rustige nacht. Rond acht uur komt er een uitgeputte woestijnuil aangevlogen. Hij heeft een stuk perkament aan zijn poot, een overzicht van de 2 x 9 rassen (3 ontbreken er nog), met de groeten van Imhotep. We zoeken een paar scheepsratten voor het dier, en Risha geeft hem wat motes essence om op te frissen.

Als we Chang zoeken vinden we een briefje in zijn kajuit, in iets wat niet in zijn handschrift is, dat zegt dat hij “tot inkeer is gekomen en zijn heil zoekt op een andere plek”.
Gwan scry’t: het is donker en Chang loopt onder water. Wat moeten we doen!? Eén van onze zeelui zegt: “Waarom laten jullie die tovenaars niet doorvaren? Die halen we wel weer in.” Goed idee! Om negen uur gaan we voor anker en we proberen hem Nog eens te scry’en, maar ditmaal blijft het beeld zwart. Het ligt niet aan Gwan, hij voelt een blokkade.
Claude onderzoekt de hut en vindt de Malphean Staff die we eerder buitgemaakt hebben op de demon. Het ding voelt heel aangenaam aan. Zo te zien is Chang onder invloed ervan geraakt: hij heeft gistermorgen op de magische markt allerlei prullaria gekocht zonder het ons te vertellen. Het bauchliet is er nog, dus het was niet Eenoog. We krijgen de indruk dat hij terug is naar Alexandros. We maken rechtsomkeert.

6-v-R2 Zes uur ’s ochtends komen we weer aan in de haven. We betalen liggeld en lopen naar de magische markt. De stad is enorm, dus het is drie uur lopen. Gwan maakt onderweg een tekening: “Heeft u deze chinees gezien?” De kramen van onze tovenaars zijn natuurlijk leeg. Tegen elf uur treffen we een handelaar die Chang heeft gezien. “Ja, die is hier geweest”. De handelaar zit een Slayer Khatar op te poetsen. Hij heet Akem Morbash. Voor een handvol bakshees weet de man te vertellen dat Chang dit ding heeft gegeven als betaling voor een Cloack of Elsewhere, zijn pronkstuk. Elsewhere is niet te scry’en. Verder heeft hij Salif-zand gekocht. Daarmee kun je de Salif (een mutantenvolk) oproepen en die kunnen je illegaal de grens met Melek-Qart over helpen. Het zand van de grens blijft overal aan plakken, het gaat in je poriën zitten zodat je nog maanden herkenbaar bent. Smokkelaars gebruiken de Salif. “Is de andere Khatar ook verkocht?” vraagt Risha. De handelaar kijkt schichtig naar een gesloten winkel: “Daar.” We glippen naar binnen. Daar vinden we behalve een symbool van Eenoog nog honderdvijftig goudstukken aan edelstenen. Scy’en van de andere Khatar laat Chang’s kleren zien, een zadel en lucht.
Risha gaat terug naar de handelaar. Voor de edelstenen en nog 150 goud wil hij de Khatar een maand voor ons vasthouden. Dit is volgens hem 10% van de waarde. Dan gaan we naar de Oostelijke markt om paarden te kopen. Maar er is iemand die Roc-vogels verhuurt. De verhuurder herkent de afbeelding van Chang. “Ja, die chinees is hier geweest. Zijn vriend heeft een Roc gekocht.”
Een huur-Roc kost tachtig goudstukken per persoon voor een dag, en vliegt zelf terug naar de markt. We praten het omlaag naar dertig. Het is stevig doorvliegen naar de grens, en Albion-magie werkt averechts op de vogels. De Rocs weigeren over de grens te vliegen. Risha gebruikt de Acorn van Malkavian om dieren op te roepen: slangen en hagedissen om de Rocs te voeren. Gwan ziet in zijn kristallen bol Chang en diens vriend aan een kampvuur zitten, maar komt er niet achter waar. Aan de overkant van de grens zien we wel enkele kampvuren, maar die zijn voor ons onbereikbaar. We vliegen een uur naar het Zuiden en treffen aan onze kant ook een vuur. Er zitten een heleboel Salif omheen. Dat zijn een soort mensgrote rupsen. Ze vluchten weg als ze onze Rocs zien. Nog een uur verder vinden we weer een vuur. Nu laten we de vogels buiten zicht. De wachters hebben Chang niet gezien. Claude vraagt wat het theoretisch kost om de grens over te steken. “Jullie zijn echt aan het verkeerde adres.”
Terug naar het Noorden. De Salif zijn weer terug bij hun vuur en we laten ze ditmaal niet schrikken. Deze wachters zijn wat toeschietelijker. Ze laten ons het dorp in. Daar liggen de Salif opgekruld rond het vuur. We spreken de grootste aan. Schrik en ontsteltenis, maar de koning is dapper en blijft om ons te woord te staan. Ook hij houdt vol dat we bij de legale grensovergang moeten zijn. “Salif-zand? Ja, het zou mooi zijn als dat bestond…” Het is duidelijk dat we zonder dat spul geen doorgang krijgen. Stom dat we niet ook een zakje hebben aangeschaft.
We vliegen naar de officiële grenspost. Die is ook dicht, maar de douanier is vriendelijk. Wij zijn heel moe en de Roc’s willen terug. Risha weet ze over te halen om nog even te blijven. “Nee, die is hier niet geweest. De grens is gesloten. Hij gaat over vijf weken en vier dagen weer open,” zegt de douaneman. Hij legt uit dat het Mot-festival is begonnen en daar willen de Qartianen geen buitenstaanders bij. “Mot is de tegenhanger van de god Melek. Aan deze kant van de draaikolk van de zeedraak woont het Huis Biblios, toegewijd aan Mot. Aan de overkant van de zeestraat zijn de Huizen Megiddo, Sidon en Tyr van Melek.” Hij is benieuwd waar we vandaan komen. We drinken een glaasje om de man gezelschap te houden en geven de Rocs nog wat te eten, om ze te kalmeren. De douanier legt uit dat er een krachtveld tussen de twee landen zit. Je komt er niet door. Hij verwacht dat er aan de Melek-kant veel minder moeilijk gedaan wordt. Dit is een lokale Mot-Biblos aangelegenheid, het heeft volgens hem met de zeedraak te maken. Hij vindt iets vreemd: de karavanen die hier passeren hebben een grauwsluier en ze zijn schuw naar buitenstaanders. “Wij doen hun pijn aan de ogen.” Maar de andere huizen zijn een stuk frisser dan het huis van Biblos. Na een paar borrels gaan we terug op de Rocs. We zijn doodop als we aankomen en slapen aan boord.

7-v-R2
Adrarn maakt zich ernstige zorgen. Hij heeft wat lacunes in zijn kennis. Maar hij denkt dat wij Melek Qart bij moeten gaan staan in de rituele strijd, want hij vreest dat Chang aan Mot gaat worden geofferd. “Via het hof van mijn vader kunnen jullie een klinkende overwinning behalen.” Claude gaat de Slayer Khatar ‘terughalen’ (zonder betalen) bij Akem Morbash. Dat lukt. Dan varen we naar de Westelijke ingang van Melek Qart.

10-v-R2
Drie dagen later komen we aan in Megiddo. De stad van de grootvizier.

Xp 3

The RoSE – 49

We zijn in de bibliotheek spreuken aan het overschrijven. Ghurkan vraagt intussen de Keeper naar zijn bevoegdheden. Na een paar uur krijgen we via onze communicator bericht van Atis dat we geen dingen moeten doen, moeten stoppen met spreuken overschrijven en snel naar buiten moeten komen. In zes uur heeft Sango twee solar circle spreuken overgeschreven, en Sarina drie van de sapphire circle. Ze kijken tegelijk op voor een pauze. Als we zeggen dat we op willen houden voor vandaag, is Raksi teleurgesteld. Ze dringt aan en laat Sango beloven morgen terug te zullen komen. [Het is een social attack.] Aangezien Sango dat toch al wilde, kost dat haar geen moeite. Als we op het punt staan om weg te gaan, vraagt ze of de lunars even willen blijven voor een kleine Moot. Weigeren zou onbeleefd zijn. Zodra de solars weg zijn, nodigt Raksi de lunars uit om morgen op jacht te gaan. Het is volle maan, iedereen in zijn spirit vorm. Dit weigeren zou nog veel onbeleefder zijn, dus we accepteren.

Als we aankomen bij Luthe zien we dat er een groot aantal roofvogels — buizerds — omheen cirkelen. Sango gaat direct slapen, die is nog moe van de spreuken een paar dagen terug [ze mist nog veel Willpower]. Atis hangt in de commandostoel. Hij vindt het maar niets dat de lunars beloofd hebben om te gaan jagen, en waarschuwt dat Rakshi vast op baby’s wil gaan jagen. Hij vertelt dat Raksi in de stad, en zeker in de bibliotheek, onkwetsbaar is. Alles zal samenwerken om haar te verdedigen. Alleen buiten de stad is ze kwetsbaar. En we hebben dertigduizend medestanders: de mensen en apen. We overleggen. Raksi doden zou alleen gerechtvaardigd zijn als ze een Chimaera is. Lichamelijk is ze dat zeker niet, over haar geestelijke conditie hebben we twijfels. Marina heeft een charm waarmee ze kan zien of iemands Essence een Wyld-tint heeft.
Vanavond kunnen we een rituaal voor Luna doen, om haar hierover te raadplegen. Op de bovenkant van Luthe zou kunnen, maar daar zwermen nog steeds die buizerds. Als smoes bedenken we dat we teruggaan naar de plaats waar Metagalapa hing.
Daar is een enorm Shadowland, met activiteit van grote ondode beesten. Het lijkt er op alsof ze hun kamp opbreken. We gaan op jacht naar een panter, maar vinden er geen. Sango heeft overal doorheen geslapen. Terwijl we teruggaan overleggen we. Vinden we het de moeite waard om eventueel uitgestoten te worden? Tawuz denkt dat hij indien nodig een Moot wel kan overtuigen. Hij waarschuwt wel voor Raksi’s sociale aanvallen.
In de loop van de nacht is Eye bevallen van zes kleine pegasusjes, beastmen. Ze zijn heel schattig. Little Shu blijft aan boord om een strijdplan te bedenken. Onderweg doet Tawuz de Oration Glance Technique zodat hij aan de bavianen die ze onderweg tegenkomen door kan geven dat Atis zijn contactpersoon de baviaan Habib wil spreken.
Als we terug aangekomen zijn, heet Raksi ons hartelijk welkom, met name Sango. Marina heeft haar charm aanstaan en ziet dat er inderdaad een ‘taint’ aan Raksi’s Essence zit. Sango is gewaarschuwd, en blijft beleefd. Deze keer wil Shi-Mei-Lan het boek van de tweede cirkel bestuderen. Als Raksi haar oog-spreuk doet, kijkt Marina weer goed. Deze keer ziet ze dat Raksi twee verschillende ‘taints’ op haar essence heeft: Wyld en Necromantic.
Intussen overleggen Atis, Ghurkan, His en Little Shu met de bavianen. Die wachten al lang op de aankomst van nieuwe lunars. De aanwezige lunars zijn al door Raksi ingepalmd. Iedereen die langer met haar omgaat, wordt verliefd op haar. Hij heeft tweeduizend mensen die willen vechten en drieduizend bavianen. De orang-oetans zijn de priesters van Raksi, dus daar kun je niet op rekenen. Raksi heeft maar weinig gestalten, maar ze heeft nog een feniks op haar verlanglijstje staan. Beastmen maken heeft ze haar lunars verboden. Atis komt op het idee om Eye in vogelvorm met brandend materiaal in te smeren en zo een feniks te simuleren. Shalgero’s Pride zou als ondergrond kunnen dienen. Eye leert de charm Southern Mastery Technique om vuur te kunnen weerstaan.
Als Raksi bij de boeken weg wil gaan, vraagt Sango of ze haar raad mag vragen. Welke spreuken kan ze nog meer aanraden? Wat vindt ze van het patroon in de solar circle spreuken? Raksi is heel geïnteresseerd in de spreuk Rune of Singular Hate. Ze vertelt dat haar solar mate die gebruikt heeft tegen de dragonblooded die haar doodde. Die had hij eigenlijk moeten gebruiken op Chejob Kejak! Dit was ooit de reden dat ze solar circle wil leren: deze spreuk op Kejak gooien. Sango vertelt dat hij dood is, vermoord door de keizerin. Raksi is blij. Marina stelt voor om er een glaasje Regenboog op te drinken. (Dit alles om haar af te leiden.) Intussen bestudeert Sango ook Technique Mirror. Na zes uur gaat Sango weg.
Bij zonsondergang verzamelen de lunars zich in spirit form bij de bibliotheek. Er is een dalmatiër, een python, een buizerd en een raaf. De vijfde heeft een snoek als spirit form, die heeft dispensatie gekregen: hij gaat als poema. Marina, die een octopus als spirit heeft, mag ook wisselen. Ze kiest tijger. Raksi staat naakt, met een grote jachthoorn. Op het moment dat de zon ondergaat, blaast ze er drie keer op en verandert in een soort reuzenmandril: drie meter hoog en met slagtanden. “We gaan op jacht jongens, op naar de griffioen! We vertrekken door de Noordelijke poort.” De lokale lunars kijken wat verbaasd. We stuiven naar het Noorden. In de stad zijn alle deuren, ramen en luiken dicht en is er niemand op straat.
Op een gegeven moment gaat Eye als brandende vogel de lucht in. Raksi ziet het, maar gelooft het eerst niet. Maar dan gaat de zon op in het Westen. Deze wordt verduisterd door de maan en iets zwarts wat van tussen de sterren kwam. Raksi concludeert dat het toch een èchte feniks moet zijn, die is getriggerd door de conjunctie. Ze gaat er op af. De overige lunars gaan door volgens plan, op zoek naar de griffioen. Dit is de gebeurtenis die de dragonkings eerder voorspelden. We realiseren ons waarom we de afgelopen nacht geen contact met Luna konden krijgen.Tawuz stelt voor om eerst even naar de conjunctie te kijken. Die duurt opvallend lang, hij gaat maar niet over.

1. De ‘stervende feniks’ zit op de grond. Raksi is intussen in een adelaar veranderd en vliegt er op af. Zodra ze daalt doet Little Shu een duikvlucht op zijn windblade waarbij hij haar slaat met zijn reaver daiklave, hij raakt. Raksi activeert een charm, welke is niet meteen duidelijk. Sarina valt aan met haar Dagger of Heaven en raakt. Little Shu raakt weer. De klappen lijken haar weinig schade te doen. Ghurkan slaat met zijn Serpent Sting Staff gecombineerd met de Essence Fans and Skill Technique. Ook hij raakt. Atis gebruikt Accuracy Without Distance, schiet een orichalcum pijl af en raakt. Deze wond lijkt haar als enige echt pijn te doen. Eye verandert Shalgero’s pride in een Dire Chain, om Raksi te verstrengelen, maar mist. Sango concludeert dat alleen onweerstaanbare aanvallen Raksi kunnen deren. En houdgrepen! Ze gebruikt Leaping Mantis Style en grijpt haar vast. Dat lukt!
2. Raksi grijpt in haar haar en en trekt aan een touwtje. Het licht lijkt te dimmen. Daarna vinden we opeens iedereen een vijand. Sango doet als reflex een Sapphire Circle Counter Magic op zichzelf. Little Shu reflecteert de spreuk terug op Raksi zodat ze zelf ook last heeft van het effect. Sarina steekt met twee dolken. Dat lijkt haar weer weinig te deren. Little Shu gebruikt nu ook Accuracy Without Distance en schiet. Dit doet haar duidelijk wel schade. Atis doet hetzelfde en verwondt haar verder. Ghurkan doet een social attack, The Irresistable Salesman Spirit: “Geef je over of we doden je.” Maar door het effect van haar eigen spreuk gelooft ze hem niet. Sango begint met Dragon Coil Technique haar fijn te knijpen. Raksi is nog steeds in vogelvorm. Sango kan haar niet alle acties belemmeren, maar houdt haar wel op haar plaats. Eye probeert de essence draining boeien om de poten van de vogelvorm te doen. Dat lukt, de poten zijn nu geketend. Raksi begint vreselijk te krijsen. Ze weet wat dit voorwerp is.
3. Raksi probeert weer een Spellknot te ontwarren. Sango aarzelt niet en gooit weer Counter Magic. Een pilaar van zwart on-licht verschrompelt.
Op dat moment gebeurt er iets aan de hemel. Het zwarte voorwerp breekt in tweeën, de zon verschrompelt tot een rode dwerg en valt onder de horizon. Elke solar krijgt een visioen: Sol, doorboord door veertig groene zwaarden, spreidt zijn armen en roept: “Wreek mij!” [Elke solar krijgt er 1 punt permanente Essence bij plus tien charms en/of spreuken naar keuze. Maar alle charms die iets doen met ‘creatures of darkness’ werken niet meer.]
Little Shu schiet weer, en Raksi gaat buiten westen. Sarina probeert een mantel om haar hoofd te wikkelen zodat ze geen nieuwe spellknots kan activeren Sango voelt haar verslappen en roept: “Atis, willen we haar dood hebben?” Atis mompelt: “Je vraagt dit aan mij?” en schiet een pijl af. Raksi sterft. De spreuk waardoor we elkaar wantrouwen wordt opgeheven.
Als de lunars terugkomen, vinden ze vijf geschokte solars.

Xp: 6 solars en lunars

Tanais – 62

27-iii-R2, midden op de dag
Het ei ligt in het bos. We vullen het butsje met water en laten dat vastvriezen. Hopen maar dat het werkt! Hoe moeten we het nu verder de berg af krijgen? Claude ontwerpt ‘ramps’ om het tijdens het rollen af te remmen. Het werkt, maar omdat Risha nogal onhandig is, en Chang ook wat steekjes laat vallen, wordt de barst groter. Als we bij de schepen aankomen is het ei nog heel, maar gehavend. Daar ontdekken we dat er iemand door onze spullen gesnuffeld heeft. Terwijl ze toch goed verstopt waren! Er ontbreekt niets, en de manschappen hebben niets gemerkt. 
Met heel veel moeite en inzet van al onze Water- en Windmagie navigeren we rivier af. In het begin is de reis net zo eentonig als op de heenreis. Maar in provincie 20 merken we dat er een enorm transparant vogelachtig wezen met ons mee vliegt. De spanwijdte is wel 20 meter. Hij lijkt eerder nieuwsgierig dan agressief. De mensen aan de kant houdt angstig afstand. Zijn ze bang voor ons of voor de Spirit Roc? 
Bij provincie 19 begint de ‘beschaafde’ wereld. Dat betekent tol betalen. Voor 5 goudstukken mogen we door. Het ei is ondanks al onze moeite toch aan het smelten. Met wind en water op het zilverfolie koelen we het zoveel mogelijk af. Stroomafwaarts gaat de reis veel sneller dan op de heenweg. Bij alle grenzen moeten we betalen, behalve bij provincie 11, want daar heerst anarchie sinds een inval vanuit buurland 10. ’s Nachts slapen we om de beurt, terwijl het schip doorvaart.
1-iv-R2
Als de zon opkomt, landt de Spirit Roc op het ei en begint met zijn snavel door het zilverfolie te pikken. Chang heeft wacht, hij slaat alarm. Risha doet zijn anima banner aan. De vogel doet hetzelfde, hij heeft een veel zachter licht. Claude houdt zich gedeist. Chang activeert ook zijn anima, de maximale vorm, zodat hij het volle Fear effect van de Dawn Caste heeft. De vogel begint te lachen. Hij materialiseert in de vorm van een jongeman. 
“Niet bang zijn,” zegt hij vriendelijk. 
“Ben jij een lunar?” vraagt Risha.
“Wat een nieuwsgierigheid. Jullie zijn in mijn domein, dus ik mag hier de vragen stellen.” 
Risha stelt zichzelf en de andere solars voor. 
“Ik ben de grote baas hier. Ik heb van jullie gehoord. Phantom, der Alte en <?> hebben het over jullie gehad. Jullie zorgen wel voor ophef hoor, als jongste loot aan de stam. Licht en duister, solars en abyssals… Het wordt druk. Overigens, de baby maakt het naar omstandigheden goed, maar jullie moeten haast maken. Ik zou niet willen dat het ei smelt en de delta buiten het seizoen overstroomt.” 
Als Gwan opmerkt dat het de bedoeling is van solars om alles weer op orde te stellen, verslikt de jongeman zich.
“Eerst was ik er. Toen kwamen er meer siderials. Toen de achterlijke lunars. Een hele tijd niks. En nu jullie. Ik weet niet wat ik met jullie aan moet. De abyssals gaan heel snel. Maar jullie zijn het grotere gevaar, omdat jullie alles willen oplossen. Ik heb gehoord dat jullie jong en ondeugend zijn. Maar we hoeven niet elkaars vijanden te zijn.”
Hij stelt voor dat we om en om een vraag stellen. Gwan vraagt welke conclusies hij in zijn lange leven heeft getrokken. 
“Ik heb mijn conclusies in dit land verwerkt. Daarom zijn er 42 provincies. Nu ik. Weten jullie dat dit ei het niet gaat halen?”
Daar waren we al bang voor. “Kunt u in de toekomst kijken?” vraagt Gwan. “Nee, maar ik heb wel intuïtie en voorgevoelens. Ik kan wel helpen hoor. Ik wil niet dat het ei hetzij smelt, hetzij uitkomt. Ik houd van mijn onderdanen. Ik zorg er voor dat het ei niet uitkomt, dan hebben we deze reis elkaars prettige gezelschap.” 
Risha wil meer weten over de relatie tussen goden en exalts. “Ah, het wereldkristal. Er zijn twee maal negen wezens. Jullie vullen een nog onbekende niche, in ons straatje. Er zijn er nog meer onbekend. De goden zijn jullie tegenhangers, ook ‘goed’. Jullie zijn elkaars concurrent.” 
Hij zal zorgen dat we een mooi diagram van het wereldkristal krijgen. “Nu mijn volgende vraag. Zijn jullie echt van plan om naar de witte stad te gaan en wat denk je daar dan te vinden?” “Marmeren tabletten met de geschiedenis en zo,” zegt Risha, “en magische voorwerpen van de vroegere solars.” 
Gwan vraagt hoe het met Chantal gaat. “Er is geen siderial in de lunar stad, dus mijn kennis is beperkt. Arend is dood. Chantal is een zorgenkindje, dan weer licht, dan weer duister, geteisterd en uiteindelijk machtiger dan jullie.” Hij wordt filosofisch. “Ik heb eigenlijk geen vragen meer voor jullie.” 
Gwan vraagt naar het Zuiden. “Heel veel jungle en heel veel zee en wat eilandjes. Ik kom er nooit. Er wonen vreemde gemuteerde wezens. Na de ramp is zo’n beetje alles gestorven of gemuteerd. De Wamak zijn een voorbeeld van mutanten die nog niet zijn uitgestorven. Er zijn duizenden jaren geen mensen meer geweest.” 
Claude vraagt: “Wat weet jij van Eenoog?”
“Dàt is jullie tegenspeler. Weet je waarom de wereld vergaan is?” 
“Nee.”
“De mensheid was op zoek naar buitenaards leven en heeft het gevonden. Het buitenaardse leven kwam en bleek sterker. Iemand heeft besloten om de wereld  te vernietigen om het te stoppen. Het was een volle wereld, vol met mensen. Eenoog heeft met die buitenaardse wezens te maken. Uit rapporten blijkt dat er bij jullie mensen grijs worden. Dat is het voorstadium van een veel ergere besmetting. Ze zijn aan het infiltreren. Er zijn meer cellen van wat jullie Eenoog noemen. Er lijkt iets te zijn ontwaakt. Het lijkt er op dat jullie terugkeer met de terugkeer van die ziekte te maken heeft. Het kan twee kanten opgaan. de goden zouden wel eens uitgeschakeld kunnen worden. Ze zijn ontstaan uit de grote knal en zijn bang dat als alles opgeheven wordt, zij weer verdwijnen. Zielig, maar heel machtig.”
De Annil vliedt onder ons door. We worden niet meer staande gehouden bij de grenzen en de mensen aan de kant lijken niet erg op ons te letten. 
“Ik vind het leuk om kennis met jullie te maken. Maar jullie zijn nog zó jong en onstuimig.”
Claude: “Als niemand ons helpt …”
De man gaat zich er niet druk over maken. Hij maakt zich meer zorgen over de komende strijd tussen ons en Eenoog. Die zit in Euboia. Risha begint over het ontplofte eiland en de handel met Euboia. “Dat was een terecht verdiende actie,” reageert de man, “maar wat ze daar deden?” Chang laat het flesje zien. “Dit is niet bekend in Alexandros,” zegt Risha. Hij herkent het spul ook niet. “Dit werd dus verhandeld naar Euboia,” zeggen we, “de echte mijn is ergens anders.” Dit is nieuws voor hem. Hij gaat zijn siderials poolshoogte laten nemen, maar zij zitten niet in ‘besmet’ gebied.
Risha wil weten wat we tegen de tijdsprongen kunnen doen als we stukjes geheugen terugkrijgen. “Dat is een natuurwet. Qartianen zijn in dat soort dingen geïnteresseerd. Die bronnen, overal ter wereld, doen wat met tijd. Ze zijn een eigenschap van deze wereld. Ik heb de eerste mensen na de ramp, twee baby’s, naast zo’n bron gevonden.” Hij blijkt de enige overlevende exalt te zijn van vóór de ramp. “Ik ben bewusteloos geweest. Voor de ramp was er een verlichte kaste. Steeds meer leden daarvan lijken terug te komen. Maar nu, door mutatie misschien, gesplitst in verschillende types. Sorcery komt bij de gemuteerde rassen vandaan. Dat van die steden klopt niet. Er is een mythologie afgesproken en die is terug geprojecteerd. Jullie kwamen uit die stad en de lunars kwamen uit Salish. Er waren meer dan vijf steden. Nou kleintjes, ik ga afscheid nemen. O ja, mijn naam is Imhotep.” 
“Als er wat is, hoe kunnen we u bereiken?” vraagt Claude. 
“Ik bepaal wanneer we weer contact hebben,” zegt hij ten afscheid.

4-iv-R2
Drie dagen later zijn we bij Alexandros. Het gaat onnatuurlijk makkelijk. we hebben geen steekpenningen meer nodig. Het ei smelt onderweg niet verder. We moeten het naar de markt brengen, maar het is veel te groot. Gwan gaat naar de tovenaar. 
“Leuk je te zien. Waar zijn je vrienden en de ijsdemon?” grijnst de tovenaar.
Gwan: “Die staan buiten de stad. Te groot voor de steegjes.” 
“Ah, maar de afspraak was hier voor mijn winkel. Levend of, liever, dood.”
Gwan neemt hem mee om te kijken. De man kijkt een beetje bezorgd. “Nou ik ben onder de indruk. Ik had niet gedacht dat het jullie zou lukken. Maar afspraak is afspraak. Zullen we maar bij de kust afspreken? En we moeten een oplossing bedenken om hem in bedwang te houden als het ei uitkomt. Kunnen jullie zelf zorgen voor ketens? Een smeltende ijsreus werkt nog, een verdwenen ijsreus hebben we niets meer aan. Het gaat om die cruciale minuten.”
Zes uur later — het ei is weer aan het smelten — staan we met het ei op een verlaten strand. We hebben nog steeds geen last van de autoriteiten. We hebben heel veel touwen samen geslagen tot iets wat dik genoeg is om zo’n reus vast te binden. In het zeewater smelt hij heel snel. Net als de tovenaars aankomen, breekt de schaal. Er komt een enorme rups uit, het larve-stadium. Hij is transparant met een netwerk van lichtgevende aderen. Het idee is om hem buiten westen te slaan en dan vast te binden zodat de tovenaars er hun onderdelen van kunnen oogsten. Risha krijgt de Malphean Iron Staff van Octavian. < Mep ! > Het is te warm. De rups is slap van de hitte en Risha slaat door de kop heen als door slush. Het netwerk van aderen dooft langzaam  … KNAL ! … het beest barst uit elkaar voordat de tovenaars er bij zijn. Risha zit onder de slurrie. Het grootste deel van het water verdampt nog voordat het de grond heeft bereikt. 
iedereen staat wat beteuterd te kijken naar de snel verdwijnende plassen op het strand … Shit ! … Karoen Hotep en zijn vrienden zijn flabbergasted, maar houden zich goed. “Jullie deel van de afspraak is nagekomen,” zegt Karoen, “Heren, mijn complimenten! Dus het contract gaat nu in.” 
Gwan stelt voor morgenmiddag om 1 uur in de haven af te spreken.

5-iv-R2
Claude gaat de volgende ochtend met de helft van het overgebleven zilverfolie naar de metaalmarkt. Daar ruilt hij het om voor titanium. 
Gwan duikt de bibliotheek in en zoekt mythes op over de zuidlanden. Er is bitter weinig van bekend: er is jungle. Melek Qart drijft handel met het Zuiden, maar houdt zorgvuldig geheim wat er daar te vinden is. Sprekende dieren zijn de niet-gemuteerde oorspronkelijke wezens.  Dat is alles. Daarna gaat hij verder lezen over kristallen bollen. Hij leest dat ze vooral gebruikt worden door Qartiaanse tovenaars en bepaalde geheime genootschappen (siderials). Ze kunnen alleen gebruikt worden op speciaal geprepareerde plaatsen. Dus dat Gwan onderweg kan screenen, is inderdaad iets heel bijzonders.
Risha gaat naar een badhuis en laat zich verwennen.
Om één uur verzamelen onze galei en negen andere schepen voor de haven. Iedere tovenaar heeft zijn eigen gevolg bij zich.

3 xp