Tanais – 65

Even een aanvulling op het visioen in de vorige sessie: De graankorrels stonden voor de normale voorouders en de zwarte bronnen zijn de ‘popcorn’, de gevallen dat het mis ging. Het ligt allemaal zó ver in het verleden dat er geen namen meer zijn overgeleverd.

Chang’s belevenissen: Hij is onder de geestelijke invloed van de abyssals geraakt en naar de rebellen gestuurd. Onder de grond heeft hij van de Shuragi (groene vrouwen) een soort worst te eten gekregen en na een lange reis onder de grond komt hij boven bij een kampje tulbanden, zo’n twee uur lopen van de stad Arad. Hij laat zich vrijwillig boeien. Bij de stadspoort wordt hij aan de priesters van Yamm overgedragen. Onder veel bekijks wordt hij naar de klif gevoerd en in een kooi gestopt, waar hij tevreden uitkijkt over de draaikolk.

15-v-R2 ’s Middags hebben we met de draak gesproken, Daarna gaan we terug naar Arad. Om drie uur, terwijl wij onderweg zijn, materialiseert de draak. We zien hem vanuit de verte boven de klif uittorenen.
Yamm eist op briesende toon: “Ik wil het offer zien! Het schijnt dat het niet deugt!” Chang wordt gehaald door de nerveuze priesters.
“Hoe heet jij?”
“Chang.”
De draak spuugt hem helemaal onder, daar moet hij van braken en hij krijgt diarree met ernstige krampen. Na vijf minuten komt er een groot pulserend ding tevoorschijn. De betovering is verbroken. Chang wist niet dat hij het in zich had. Hij raapt het op en gooit het zo ver mogelijk weg. Na twee minuten klinkt er een luide explosie van onderaan de klif.
“Zo,” zegt de draak, “vertel eens wat jij hier doet.”
“Tegen mijn zin hier staan.”
“Misschien moet jij maar weg.”
Chang summont zijn slayer khatars. De priesters openen het forcefield voor hem. Hij vraagt waar hij de tulbanden kan vinden, zodat hij wraak kan nemen, maar ze letten niet op hem omdat Yamm precies op dat moment eist dat de stad op de 21e Jozias bij hem aflevert in plaats van Chang. Vijftig priesters knielen in aanbidding voor hun god. Chang grijpt er eentje in zijn lurven en stelt zijn vraag nog eens. “Het zijn gewoon achterlijke idioten,” zegt de priester verstoord, “ze wonen buiten de stad. Die kant op!” Hij wijst.

Ongeveer op dat moment komen de anderen de stad binnen. Het is hartstikke druk en chaotisch. Chang is ergens gaan zitten mediteren. Claude ruikt hem. “Gatverdamme, drakensnot! Mee naar het badhuis.” Daar vinden ze hem.

Nu we herenigd zijn, vindt Gwan dat we onze plicht verzaken als we niet meteen terug naar huis gaan. Risha en Chang willen op Jozias jagen. Claude wijst er op dat we hier illegaal zijn, dus we moeten wegwezen uit Arad. Gwan wil Jozias scryen, maar die kent hij helemaal niet. Dan beschrijft Chang de wadi en de ruïnestad met het gat naar de tunnels. Claude vindt in een winkeltje een gravure van de verlaten stad Yerech. “Ja, dat is het!” zegt Chang. Risha koopt de prent. Dan scryt Gwan waar onze tovenaars nu zijn. Ze varen tussen de ijsschotsen en hebben het naar hun zin.
Om 6 uur ’s avonds schepen we ons in en we kiezen het ruime sop. Onderweg bekijkt Gwan Bronwë in zijn glazen bol. Op het tempelplein zijn de brahmanen druk aan het bouwen, en ze eren de jongen met het paardenhoofd. Dicht bij het kasteel, pal naast de brug, is een klein heiligdom bijgebouwd.

17-v-R2
Met onze magie zij we in anderhalve dag bij de bossen naast Yerech. Langs de kust zijn kleine vissersdorpjes waar Yamm en Mot aanbeden worden, en er groeien veel myrrhe-struiken. We verstoppen de boot. De myrrhe is oogstrijp. We doen ons voor als handelaren, en Risha koopt voor vijftig goudstukken een muilezel volgeladen met het spul. In de stad zal dat honderd tot honderdvijftig goudstukken opleveren, in Soul nog veel meer. De boeren hier hebben geen problemen met ons, onze boot is herkenbaar als uit deze streek en onze vermomming is goed. We kletsen wat met ze. Ze vertellen dat het vanaf hier een halve dag lopen is naar de grote karavaanweg. Ze hebben niet zoveel last van de woestijnnomaden. “Die blijven in de woestijn. Er zijn wel conflicten geweest, respectloos vee laten grazen op onze weiden. Maar we hebben ze weggejaagd. Ze zeggen dat ze El aanbidden, maar het is een valse El. Niet die van Megiddo!” We overnachten in het dorpje.

18-v-R2
Om zes uur laten we de myrrhe achter in de boot. Met de muilezel gaan we de woestijn in. Na een uur komen we een stam grauwe nomaden met vale tulbanden tegen. Het zijn gewone mensen, ze waarschuwen ons dat we hier niet welkom zijn en sturen ons terug. We laten het niet tot een conflict komen, en doen alsof we afdruipen. Via een andere route bereiken we om drie uur de grote weg. Op het oog is het land leeg, maar er zijn genoeg sporen. Van achter een rotsblok staat een man met een katapult boos op. “Nu is de gazelle weg!”
Risha grijpt hem en Claude bindt hem vast. “Laat me los, vieze heidenen!” Na enige intimidatie door Risha is hij bereid om ons naar Yerech te leiden. Als het donker wordt, stelt hij een plek voor om te overnachten. Claude hoort dat hij liegt: dit is geen veilige plek. We doen alsof we hem geloven, maar zetten dubbele wachten uit. Na een uur voelen Gwan en Risha, die de eerste wacht hebben, iets kriebelen. Schorpioenen kruipen uit het zand omhoog, onze kleding in. We wekken de anderen voorzichtig en verkassen naar een rotsachtigere plek.

19-v-R2
Om zeven uur trekken we verder. Na een tijdje wil de man ons niet verder brengen omdat er stenen tombes in de woestijn liggen.
“We mogen hier niet komen,” zegt de gevangene, “dit zijn grafvelden, de geesten van de doden vinden het niet goed.”
We gaan toch door, en als er niks gebeurt, raakt hij meer gerust. Om twee uur ’s middags wijst hij vooruit: “Daar is de wadi.” Alleen Risha ziet de ruïnes: zijn ogen zijn door de Wyld-mutatie scherp genoeg. Hij laat de man vrij, die meteen wegrent.
Claude wacht even en gaat er dan stiekem achteraan. Hij schiet hem dood met de Sling of Prowess en verstopt het lijk. De anderen hebben niets door.

Hier is zelfs het woestijnstof grauw. We kunnen ons ermee vermommen. Als de anderen de ruïnes ook kunnen zien, komt er groen gas uit de grond omhoog. Chang is immuun gemaakt door de groene dames. De andere drie kunnen er weerstand aan bieden. Na twintig meter houdt het op. We zien vrouwen en kinderen rond een waterput. Claude vermomt zich als vrouw en spreekt ze aan. De vrouwen waarschuwen haar dat ze haar mond moet houden. De oudste jongen vraagt: “Wat komen jullie doen?”
Chang zegt: “Ons respect betonen.”
“Kom maar mee.”
Claude wordt bij de vrouwen achtergelaten, de andere drie gaan met het jochie mee naar de dorpsoudste. Die begroet ons hartelijk: “Je kunt je handen en voeten wassen en eten. Vanavond komen de mannen.”
Intussen probeert Claude de vrouwen tegen de mannen op te zetten. Er ontstaat inderdaad een ruzie. Even later moeten de vrouwen komen voor het vaste maaltijdritueel: voeten wassen, dadels, hapjes. Claude doet de voetwassing. Risha geeft het jongetje na het eten een zilverstuk. Die vertelt dat de meeste mannen onder de grond zitten en hij vraagt waar wij heen willen. “Naar Jozias.” Hij neemt ons mee naar een put net buiten de wadi. Daar is een wenteltrap. “Na vijf meter begint het gas.” Risha geeft hem nog een zilver en hij rent blij weg.
Chang maakt ons voor drie uur immuun. Hoe dieper we komen, hoe giftiger het gas. Vlak voordat het echt lethaal wordt, is er een zijgang. Er zijn sporen dat hier een flinke groep mensen naar binnen gegaan is. Het is een lange gang die in de richting van de berg loopt. Op een gegeven moment horen we monotone mannenstemmen. We treffen verderop een tweesprong. Zes mannen met tulbanden knielen voor een altaar waar net een bloedoffer is gebracht, een of andere vogel. Chang herkent één van de mannen. We vallen aan en winnen het gevecht, maar er gaat een alarm af. We doen alsof we bevangen zijn door het gifgas. Van alle drie de kanten komen vrouwen met groene huid aan, Shiragi, gecoördineerd door hun gedeelde bewustzijn.
Gwan slaat er een. Ze knalt uit elkaar. Er ontstaat een stroperige prut, een slijmvlies dat de uitgang verspert. Claude slaat tegen de linkermuur, om er omheen te tunnelen. Er achter staat nog een Shiragi, die Claude mist. Chang doet hetzelfde. Risha spring door het gat, in de armen van de vrouw. Hij slaat haar en ze spat ook uit elkaar. Nu zit de jonge koning tussen twee van die vliezen in.

Cliffhanger !

Inmiddels is in Arad de oorlog aan Jozias verklaard.

xp volgende keer

Tanais – 64

Tanais 64 – 9-1-2014

Adrarn vertelt dat de god Ba’al meerdere tegenstanders heeft. De douanier heeft het bij het verkeerde eind. De tegenstander die dit seizoen moet worden verslagen is toch echt Yamm de Zeedraak, niet Mot de Doodsgod. Ba’al komt van de oostelijke oever, Yamm van de westelijke oever.

10-v-R2
We komen aan in Megiddo, en gaan direct naar Berek Pan. Als grootvizier woont hij intussen op de hoogste heuvel. Met zijn qartiaanse etiquette komt Adrarn gemakkelijk het oude paleis binnen. Zijn vader heet ons hartelijk welkom in het ouderwets ingerichte paleis. Claude vertelt dat we Chang kwijt zijn, dat hij het spoor bijster is en onder invloed van onze vijanden staat. Berek Pan kan zich niet voorstellen dat Chang een rol speelt in de godenstrijd: het zijn de goden zèlf die ten strijde trekken. Eentje gaat dood en komt een half jaar later weer tot leven. Voor het gevecht wordt aan Ba’al een eerstgeboren zoon geofferd en Yamm wordt gevoed met ‘hapjes vooraf’ als kippen, geiten, gevangenen… (Risha vraagt zich af: “Wat is er mis met ghee?”)
De kant van het land die wint heeft een half jaar lang voorspoed. Meestal wint Ba’al. Claude vraagt waar de voorbereidingen van Yamm plaatsvinden. Die zijn in Arad. Het gevecht zelf vindt plaats in de draaikolk, met volle maan. De eerste dag zijn de voorbereidingen, op dag twee is het gevecht en op dag drie de kroning van de winnaar. Volle maan, dat is de 23e, 24e en 25e van deze maand.
Berek Pan denkt dat er een djinn in Chang gevaren is. Hij gaat zijn informanten naar Biblos sturen. Ook wil hij Adrarn en ons “voorstellen aan Dagon”, een initiatie waarna we op plaatsen mogen komen die verder alleen toegankelijk zijn voor qartianen. Tot het avondeten mogen we eigen dingen doen. Gwan gaat de scry-er opzoeken, Claude wil naar de bibliotheek en Risha wil in bad.
Risha wordt in de hamam van het paleis verwend, erg leuk en zelfs een beetje leerzaam.
Claude leest over Arad, Ba’al en de zeedraak. De baas van Arad heet Bered Padon. Hij is streng in de leer. De stad heeft een uitgebreid cellencomplex, op de eerste dag van het festival wordt Yamm flink vetgemest. Hij leert dat het niveau van techniek op oud-grieks niveau ligt, het sluit goed aan bij zijn eigen uitvindingen. Maar het cellencompex is daarnaast ook zwaar beveiligd met magie, net als het voedergebied van de zeedraak.
Gwan komt bij de scry-er die hem begroet met muntthee. Samen kijken ze in de kristallen bol. Ze zien Chang met zes mannen met tulband resoluut een berg op lopen. “Woestijn uitschot,” zegt de gastheer, “het volk van Jozias. Er zijn problemen tussen de stad en het platteland. De rebellen, bandieten zijn nogal fanaten.” Het volgende beeld: aan de voet van de berg zien ze een heel oude stadsruïne met daarin een bedrijvig bedoeïenenkamp. Daarna wisselen ze nog wat tips uit en spreken af om morgen elkaars bol te gebruiken.
Als we voor het avondmaaltijd even bij elkaar komen, is Risha schoon en blij. Claude en Chang doen verslag en Claude gaat snel nog even in bad voor het eten. Tijdens de maaltijd vertelt Berek Pan dat zijn informanten vermoeden dat Chang is ontvoerd door de rebellen. Die zijn schatplichtig aan de stad en ze leveren zoenoffers in ruil voor een moeizame vrede. De stadsbewoners geloven in de echte goden, de nomaden zeggen dat er maar één god is: Eenoog. Risha waarschuwt dat dit niet zomaar een sekte is, maar een ziekte. Berek Pan zegt: “Het Grauw, noemen ze het hier. Jozias is hun profeet.” Risha vertelt dat er bij ons ook Eenogers zijn. Hij vermoedt dat ze het ritueel willen gaan saboteren. Als Chang Yamm verslaat leiden de goden enorm gezichtsverlies en kan Jozias meer zieltjes winnen.
Berek Pan legt uit dat het gecompliceerder is. Hij kan ons pas alles vertellen na onze initiatie, maar de ‘veilige’ versie luidt: “Wij Qartianen schrijven de werkelijkheid. En onze mythes kunnen we niet veranderen, anders gaat de werkelijkheid kapot.” Claude oppert dat dit misschien precies het plan van Eenoog is.
Die nacht kijkt Risha naar de sterren. Geeft de magie van de hobbits hem inzicht in astrologie? Hij ziet de Laars, met de supernova waardoor de brahmanen terugkeerden. Claude is paranoïde, zet vallen in zijn kamer en slaapt zelf in een stoel op de gang. Gwan slaapt gewoon.

11-v-R2
Ontbijt op bed. We worden gewassen en helemaal geschoren (bij Risha is dat nog niet zo veel). Dan krijgen we prachtige gewaden aan. We worden meegevoerd naar een marmeren hal diep in het complex. Acht priesters in paarse gewaden met torenhoge hoeden wachten op ons. Iets later komt de grootvizier. De vorst verontschuldigt zich! Dan gaan we met z’n allen een marmeren trap af naar de crypte, een kleine kamer met enorm veel nissen waar urnen in staan. Er is een tafel met stoelen er omheen. De priesters steken een vuur aan en beginnen te prevelen. We zien de god Dagan in een stoel aan de tafel zitten. Op de tafel ligt een stapel ongesorteerde graankorrels. Elk korreltje is verbonden aan een zwarte bron. Eén daarvan met de bron van Bronwë. Het visioen vervaagt. We hebben nu meer kennis. Elke graankorrel is een voorouder van de clan waaraan wij nu zijn voorgesteld, èn een potentiële magische bron. Die van Bronwë heeft drie uitgangen, waaronder Bronwë en Sorceror’s Well. De god kijkt naar ons met een verwonderde glimlach, en daarna met een opgetrokken wenkbrauw naar Berek Pan. Als laatste krijgt Adrarn een zeer waarderende blik. Wij mogen naar boven, de Qartianen blijven nog even omdat Adrarn de voorouders moet bewieroken. Daarna mogen we de priesters vragen stellen.
Onze vragen gaan voornamelijk over de bronnen. De priester zegt: “Elke Qartiaan wordt geholpen door een begeleider en die geeft hem de macht om wetten te schrijven, maar over alles heen moet dat in evenwicht blijven. Op het moment dat een Qartiaan de werkelijkheid ontwricht, breekt de realiteit en dat heeft een zwarte bron tot gevolg, met een of meerere uitgangen. Hoe ernstiger de ontwrichting, hoe meer uitgangen.”
Op een vraag van Claude: “De meeste bronnen bevinden zich natuurlijk in Melek Qart. Hoe meer bronnen, hoe heiliger de plek. De Negenbron is de hoogste, intrinsiek verbonden met Elsewhere. Acht, zeven en zes zijn ook alleen maar hier. Driebronnen, zoals die van jullie, treden soms ook wel op buiten Melek Qart.”
Risha laat het schrijftablet zien. De priester gniffelt. “Qartianen zijn zo machtig omdat we speeltjes kunnen uitdelen. Wij verhandelen goederen aan de bewoners van Elsewhere. Dit soort dingen is hun gerecyclede rotzooi.”
Risha vraagt naar het wereldkristal. Daar weet de priester niet zo veel van af. “Elsewhere is de navel van de wereld en die is de middelste van negen facetten.
Claude zegt: “Chang heeft een Cloack of Elsewhere. Kan dat een breuk in de realiteit veroorzaken?” “Nee, hij is geen ingewijd Qartiaan. Jullie ook niet. Jullie zijn Waarnemende Qartianen.”
Over de Negenbron: “Witte Druiven is de hoofdzetel van Elsewhere, het is een fata morgana. Elsewhere is de wortel uit min één, een imaginaire plek. Je kunt niet van de ene Elsewhere naar de andere, ze zijn uniek. Als er twee interacteren, ontploft het geheel en gaat het kapot. Die twee imaginaire plekken worden samen een reële plek.”
Over sorcery: “Voor ons Qartianen is er maar één soort magie, het schrijven van de werkelijkheid. Dagan is een collectief, meerdere personen in één god. Hij heeft de Negenbron gemaakt en het alfabet ontdekt. Met een alfabet kun je wetten schrijven, met hiëroglyfen niet. De oude geschiedenis van de Qartianen is vergeten, daarom doen we onderzoek naar de bronnen. Dao doet ook veel met Elsewhere.”
“De kans is groot dat de rebellen een realiteitsbreuk willen,” zegt Claude.
Risha vraagt: “Wat gebeurt er als je in een bron baadt?” “Dat is taboe. Je raakt tijd kwijt en je wordt gek.”
“En die stenen die soms boven komen?” “Die doen niets bijzonders. Het is iets voor verzamelaars.” “O, wij kunnen er mee onder water ademen.” Hij is benieuwd hoe we dat doen, maar blijkbaar is dit een solar ding.
Terug naar sorcery. “Wij denken niet dat Geb’s tovenaars hun magie van hun goden hebben. Die gaan over de sterren. Sorcery is meer een onafhankelijke grassroots beweging. Iedereen kan het leren, maar het is inferieur. Albion heeft elementaire magie, de sterrenwezens en de lunars hebben ook ieder hun magie. De hobbitmagie is van de Wyrd. Er zijn dus negen soorten magie, plus sorcery.”
Na het gesprek met de priester gaat Gwan nog even Chang scryen. Het is donker, Chang loopt met een fakkel door wormgangen met groen gas. Hij heeft zes groenhuidige shuragi bij zich. Chang lijkt immuun voor het gas.
Bij het avondeten zet Berek Pan dat de mensen van deze zijde in de quarantaineperiode niet aan de overkant mogen komen. Dus we moeten er uit zien als mensen van Byblos. Hij heeft een schip uit Byblos voor ons. We kunnen morgen vertrekken, maar Adrarn blijft thuis.

12-v-R2
Het schip ligt gereed. We gaan scheep naar Arad. Onderweg vermomt Claude ons. het is twee etmalen varen zonder onze hobbitmagie.

14-v-R2 ochtend
We zien de kliffen van Arad. De haven is een inhambaai iets ten Noorden ervan. We worden geënterd door de zeepolitie van Arad, die het schip doorzoeken, maar niets vinden. Als we in de haven komen, merken we dat het nu al druk is voor het festival. De herbergen zijn vol, dus we besluiten aan boord te verblijven.
Scry: Chang zit nu in een kamp in het struikgewas met hoge rang tulbanden van Eenoog.
In de stad is markt, het is er zo druk als op drie oktober in Leiden. Risha koopt een Yamm-verslaat-Ba’al broche en speldt die op zijn mantel. Claude let op tekenen van Eenoog in de stad. Hij hoort het gerucht dat het volk van Jozias dit jaar maar één gevangene levert als hapje vooraf voor de zeedraak, maar het is wel een heel bijzondere. De monotheïsten zijn zelf niet in de stad. Ze boycotten dit feest.
De kliffen het dichtste bij de draaikolk zijn afgezet met een magisch cordon. Daar worden de hapjes voor de draak vastgehouden. Het begint met kippen en eindigt met krijgsgevangenen. Voor de mensen hier is de draak niet het kwaad. Het is de kracht van water op aarde, de god van de landbouw. De tempel van Yamm ligt binnen het afgeschermde gebied. Daar mogen we niet komen. Maar kleine dorpjes hebben ook tempeltjes van Yamm.

15-v-R2
We vertrekken ’s morgens en reizen langs de kust naar het volgende dorp. Daar wonen vissers en landbouwers, Zij zijn polytheïsten, net als de stedelingen. In de namiddag komen we aan. De priester van het tempeltje aan het strand is een beetje verbaasd, maar snapt onze uitleg dat we in de stad de tempel niet in kunnen. Met Essence Lending Method geeft Risha 9 motes essence aan de priester, dat staat gelijk aan drie mensenoffers. De priester raakt helemaal geïnspireerd. “Holy Yamm!” Hij offert zijn eigen bloed, dat geneest meteen. Er is contact. Twee grote knipperende drakenogen, groot en ijl. Risha stelt zich voor als voorvechter van Oaken. De god is relatief sympathiek. “Waarom wil de voorvechter van Ba’al Oaken mij helpen?” “Het gevecht moet eerlijk verlopen. Eenoog gaat vals spelen.” Risha legt uit wat wij denken dat het plan van Eenoog met Chang is.
“Bedankt voor de waarschuwing. Chang gaat ontploffen. Het wordt geen realiteitsbreuk, maar de tulbanden hebben een bom in hem gestopt. Die zou afgaan terwijl ik aan het vechten ben. Mijn dankbaarheid is groot. Jullie mogen een gunst van mij vragen.”
“Wij willen Chang vrij.”
“Dan weiger ik hem als offer en laat hem laxeren. Misschien eis ik volgend jaar Jozias als offer. Laat de chaos maar hier uitbreken. Dank jullie wel!”
De god vervaagt weer.

3 Xp

Tanais – 63

Tanais 63 – 5-12-2013

We zitten in maand 5, ik was per abuis een maand teruggegaan.

5-v-R2, het is een mooie dag.
Om een uur ’s middags gaan we aan boord van onze luxe galei met ieder een eigen kajuit. Om ons heen varen de negen schepen van de tovenaars, met hun personeel, vrouwen en hele huisraad. (Twee van de tovenaars zijn vrouw, die hebben hun man mee.) Voor we vertrekken wil Karoen de zegen van de goden, met name Isis, afroepen. Een belangrijk moment, met veel wierook.
De tovenaars stellen zich voor. Allereerst natuurlijk Karoen Hotep. Dan een bleke man die Bilgier Nam heet. Fastenos is een gespierde kerel. Bubastihotep is een liefdestovenares. Sobek Ti is een militantere vrouw. Dan is er nog de kleine man Bes Hotep. Nazir Gurki, een rijzige blonde kerel met een haakneus. De geleerde Drilim Kozer, met een brilletje. Als laatste stelt zich de modebewuste Brizent voor, in blauwe gewaden. Hun galeien zijn overigens wel wat groter dan de onze. Om drie uur kunnen we uitvaren.
We varen naar het Noorden. Het blijkt dat onze zeilkunst toch beter is dan de hunne, dus we gaan achter hen varen om de wind in hun zeilen te toveren. Het gaat nog steeds langzamer dan we zouden willen, maar sneller dan zij gewend zijn. We genieten van de reis. Om zes uur wordt het donker. Chang gaat slapen, wij varen door. Het is een mooie rustige nacht. Rond acht uur komt er een uitgeputte woestijnuil aangevlogen. Hij heeft een stuk perkament aan zijn poot, een overzicht van de 2 x 9 rassen (3 ontbreken er nog), met de groeten van Imhotep. We zoeken een paar scheepsratten voor het dier, en Risha geeft hem wat motes essence om op te frissen.

Als we Chang zoeken vinden we een briefje in zijn kajuit, in iets wat niet in zijn handschrift is, dat zegt dat hij “tot inkeer is gekomen en zijn heil zoekt op een andere plek”.
Gwan scry’t: het is donker en Chang loopt onder water. Wat moeten we doen!? Eén van onze zeelui zegt: “Waarom laten jullie die tovenaars niet doorvaren? Die halen we wel weer in.” Goed idee! Om negen uur gaan we voor anker en we proberen hem Nog eens te scry’en, maar ditmaal blijft het beeld zwart. Het ligt niet aan Gwan, hij voelt een blokkade.
Claude onderzoekt de hut en vindt de Malphean Staff die we eerder buitgemaakt hebben op de demon. Het ding voelt heel aangenaam aan. Zo te zien is Chang onder invloed ervan geraakt: hij heeft gistermorgen op de magische markt allerlei prullaria gekocht zonder het ons te vertellen. Het bauchliet is er nog, dus het was niet Eenoog. We krijgen de indruk dat hij terug is naar Alexandros. We maken rechtsomkeert.

6-v-R2 Zes uur ’s ochtends komen we weer aan in de haven. We betalen liggeld en lopen naar de magische markt. De stad is enorm, dus het is drie uur lopen. Gwan maakt onderweg een tekening: “Heeft u deze chinees gezien?” De kramen van onze tovenaars zijn natuurlijk leeg. Tegen elf uur treffen we een handelaar die Chang heeft gezien. “Ja, die is hier geweest”. De handelaar zit een Slayer Khatar op te poetsen. Hij heet Akem Morbash. Voor een handvol bakshees weet de man te vertellen dat Chang dit ding heeft gegeven als betaling voor een Cloack of Elsewhere, zijn pronkstuk. Elsewhere is niet te scry’en. Verder heeft hij Salif-zand gekocht. Daarmee kun je de Salif (een mutantenvolk) oproepen en die kunnen je illegaal de grens met Melek-Qart over helpen. Het zand van de grens blijft overal aan plakken, het gaat in je poriën zitten zodat je nog maanden herkenbaar bent. Smokkelaars gebruiken de Salif. “Is de andere Khatar ook verkocht?” vraagt Risha. De handelaar kijkt schichtig naar een gesloten winkel: “Daar.” We glippen naar binnen. Daar vinden we behalve een symbool van Eenoog nog honderdvijftig goudstukken aan edelstenen. Scy’en van de andere Khatar laat Chang’s kleren zien, een zadel en lucht.
Risha gaat terug naar de handelaar. Voor de edelstenen en nog 150 goud wil hij de Khatar een maand voor ons vasthouden. Dit is volgens hem 10% van de waarde. Dan gaan we naar de Oostelijke markt om paarden te kopen. Maar er is iemand die Roc-vogels verhuurt. De verhuurder herkent de afbeelding van Chang. “Ja, die chinees is hier geweest. Zijn vriend heeft een Roc gekocht.”
Een huur-Roc kost tachtig goudstukken per persoon voor een dag, en vliegt zelf terug naar de markt. We praten het omlaag naar dertig. Het is stevig doorvliegen naar de grens, en Albion-magie werkt averechts op de vogels. De Rocs weigeren over de grens te vliegen. Risha gebruikt de Acorn van Malkavian om dieren op te roepen: slangen en hagedissen om de Rocs te voeren. Gwan ziet in zijn kristallen bol Chang en diens vriend aan een kampvuur zitten, maar komt er niet achter waar. Aan de overkant van de grens zien we wel enkele kampvuren, maar die zijn voor ons onbereikbaar. We vliegen een uur naar het Zuiden en treffen aan onze kant ook een vuur. Er zitten een heleboel Salif omheen. Dat zijn een soort mensgrote rupsen. Ze vluchten weg als ze onze Rocs zien. Nog een uur verder vinden we weer een vuur. Nu laten we de vogels buiten zicht. De wachters hebben Chang niet gezien. Claude vraagt wat het theoretisch kost om de grens over te steken. “Jullie zijn echt aan het verkeerde adres.”
Terug naar het Noorden. De Salif zijn weer terug bij hun vuur en we laten ze ditmaal niet schrikken. Deze wachters zijn wat toeschietelijker. Ze laten ons het dorp in. Daar liggen de Salif opgekruld rond het vuur. We spreken de grootste aan. Schrik en ontsteltenis, maar de koning is dapper en blijft om ons te woord te staan. Ook hij houdt vol dat we bij de legale grensovergang moeten zijn. “Salif-zand? Ja, het zou mooi zijn als dat bestond…” Het is duidelijk dat we zonder dat spul geen doorgang krijgen. Stom dat we niet ook een zakje hebben aangeschaft.
We vliegen naar de officiële grenspost. Die is ook dicht, maar de douanier is vriendelijk. Wij zijn heel moe en de Roc’s willen terug. Risha weet ze over te halen om nog even te blijven. “Nee, die is hier niet geweest. De grens is gesloten. Hij gaat over vijf weken en vier dagen weer open,” zegt de douaneman. Hij legt uit dat het Mot-festival is begonnen en daar willen de Qartianen geen buitenstaanders bij. “Mot is de tegenhanger van de god Melek. Aan deze kant van de draaikolk van de zeedraak woont het Huis Biblios, toegewijd aan Mot. Aan de overkant van de zeestraat zijn de Huizen Megiddo, Sidon en Tyr van Melek.” Hij is benieuwd waar we vandaan komen. We drinken een glaasje om de man gezelschap te houden en geven de Rocs nog wat te eten, om ze te kalmeren. De douanier legt uit dat er een krachtveld tussen de twee landen zit. Je komt er niet door. Hij verwacht dat er aan de Melek-kant veel minder moeilijk gedaan wordt. Dit is een lokale Mot-Biblos aangelegenheid, het heeft volgens hem met de zeedraak te maken. Hij vindt iets vreemd: de karavanen die hier passeren hebben een grauwsluier en ze zijn schuw naar buitenstaanders. “Wij doen hun pijn aan de ogen.” Maar de andere huizen zijn een stuk frisser dan het huis van Biblos. Na een paar borrels gaan we terug op de Rocs. We zijn doodop als we aankomen en slapen aan boord.

7-v-R2
Adrarn maakt zich ernstige zorgen. Hij heeft wat lacunes in zijn kennis. Maar hij denkt dat wij Melek Qart bij moeten gaan staan in de rituele strijd, want hij vreest dat Chang aan Mot gaat worden geofferd. “Via het hof van mijn vader kunnen jullie een klinkende overwinning behalen.” Claude gaat de Slayer Khatar ‘terughalen’ (zonder betalen) bij Akem Morbash. Dat lukt. Dan varen we naar de Westelijke ingang van Melek Qart.

10-v-R2
Drie dagen later komen we aan in Megiddo. De stad van de grootvizier.

Xp 3

Tanais – 62

27-iii-R2, midden op de dag
Het ei ligt in het bos. We vullen het butsje met water en laten dat vastvriezen. Hopen maar dat het werkt! Hoe moeten we het nu verder de berg af krijgen? Claude ontwerpt ‘ramps’ om het tijdens het rollen af te remmen. Het werkt, maar omdat Risha nogal onhandig is, en Chang ook wat steekjes laat vallen, wordt de barst groter. Als we bij de schepen aankomen is het ei nog heel, maar gehavend. Daar ontdekken we dat er iemand door onze spullen gesnuffeld heeft. Terwijl ze toch goed verstopt waren! Er ontbreekt niets, en de manschappen hebben niets gemerkt. 
Met heel veel moeite en inzet van al onze Water- en Windmagie navigeren we rivier af. In het begin is de reis net zo eentonig als op de heenreis. Maar in provincie 20 merken we dat er een enorm transparant vogelachtig wezen met ons mee vliegt. De spanwijdte is wel 20 meter. Hij lijkt eerder nieuwsgierig dan agressief. De mensen aan de kant houdt angstig afstand. Zijn ze bang voor ons of voor de Spirit Roc? 
Bij provincie 19 begint de ‘beschaafde’ wereld. Dat betekent tol betalen. Voor 5 goudstukken mogen we door. Het ei is ondanks al onze moeite toch aan het smelten. Met wind en water op het zilverfolie koelen we het zoveel mogelijk af. Stroomafwaarts gaat de reis veel sneller dan op de heenweg. Bij alle grenzen moeten we betalen, behalve bij provincie 11, want daar heerst anarchie sinds een inval vanuit buurland 10. ’s Nachts slapen we om de beurt, terwijl het schip doorvaart.
1-iv-R2
Als de zon opkomt, landt de Spirit Roc op het ei en begint met zijn snavel door het zilverfolie te pikken. Chang heeft wacht, hij slaat alarm. Risha doet zijn anima banner aan. De vogel doet hetzelfde, hij heeft een veel zachter licht. Claude houdt zich gedeist. Chang activeert ook zijn anima, de maximale vorm, zodat hij het volle Fear effect van de Dawn Caste heeft. De vogel begint te lachen. Hij materialiseert in de vorm van een jongeman. 
“Niet bang zijn,” zegt hij vriendelijk. 
“Ben jij een lunar?” vraagt Risha.
“Wat een nieuwsgierigheid. Jullie zijn in mijn domein, dus ik mag hier de vragen stellen.” 
Risha stelt zichzelf en de andere solars voor. 
“Ik ben de grote baas hier. Ik heb van jullie gehoord. Phantom, der Alte en <?> hebben het over jullie gehad. Jullie zorgen wel voor ophef hoor, als jongste loot aan de stam. Licht en duister, solars en abyssals… Het wordt druk. Overigens, de baby maakt het naar omstandigheden goed, maar jullie moeten haast maken. Ik zou niet willen dat het ei smelt en de delta buiten het seizoen overstroomt.” 
Als Gwan opmerkt dat het de bedoeling is van solars om alles weer op orde te stellen, verslikt de jongeman zich.
“Eerst was ik er. Toen kwamen er meer siderials. Toen de achterlijke lunars. Een hele tijd niks. En nu jullie. Ik weet niet wat ik met jullie aan moet. De abyssals gaan heel snel. Maar jullie zijn het grotere gevaar, omdat jullie alles willen oplossen. Ik heb gehoord dat jullie jong en ondeugend zijn. Maar we hoeven niet elkaars vijanden te zijn.”
Hij stelt voor dat we om en om een vraag stellen. Gwan vraagt welke conclusies hij in zijn lange leven heeft getrokken. 
“Ik heb mijn conclusies in dit land verwerkt. Daarom zijn er 42 provincies. Nu ik. Weten jullie dat dit ei het niet gaat halen?”
Daar waren we al bang voor. “Kunt u in de toekomst kijken?” vraagt Gwan. “Nee, maar ik heb wel intuïtie en voorgevoelens. Ik kan wel helpen hoor. Ik wil niet dat het ei hetzij smelt, hetzij uitkomt. Ik houd van mijn onderdanen. Ik zorg er voor dat het ei niet uitkomt, dan hebben we deze reis elkaars prettige gezelschap.” 
Risha wil meer weten over de relatie tussen goden en exalts. “Ah, het wereldkristal. Er zijn twee maal negen wezens. Jullie vullen een nog onbekende niche, in ons straatje. Er zijn er nog meer onbekend. De goden zijn jullie tegenhangers, ook ‘goed’. Jullie zijn elkaars concurrent.” 
Hij zal zorgen dat we een mooi diagram van het wereldkristal krijgen. “Nu mijn volgende vraag. Zijn jullie echt van plan om naar de witte stad te gaan en wat denk je daar dan te vinden?” “Marmeren tabletten met de geschiedenis en zo,” zegt Risha, “en magische voorwerpen van de vroegere solars.” 
Gwan vraagt hoe het met Chantal gaat. “Er is geen siderial in de lunar stad, dus mijn kennis is beperkt. Arend is dood. Chantal is een zorgenkindje, dan weer licht, dan weer duister, geteisterd en uiteindelijk machtiger dan jullie.” Hij wordt filosofisch. “Ik heb eigenlijk geen vragen meer voor jullie.” 
Gwan vraagt naar het Zuiden. “Heel veel jungle en heel veel zee en wat eilandjes. Ik kom er nooit. Er wonen vreemde gemuteerde wezens. Na de ramp is zo’n beetje alles gestorven of gemuteerd. De Wamak zijn een voorbeeld van mutanten die nog niet zijn uitgestorven. Er zijn duizenden jaren geen mensen meer geweest.” 
Claude vraagt: “Wat weet jij van Eenoog?”
“Dàt is jullie tegenspeler. Weet je waarom de wereld vergaan is?” 
“Nee.”
“De mensheid was op zoek naar buitenaards leven en heeft het gevonden. Het buitenaardse leven kwam en bleek sterker. Iemand heeft besloten om de wereld  te vernietigen om het te stoppen. Het was een volle wereld, vol met mensen. Eenoog heeft met die buitenaardse wezens te maken. Uit rapporten blijkt dat er bij jullie mensen grijs worden. Dat is het voorstadium van een veel ergere besmetting. Ze zijn aan het infiltreren. Er zijn meer cellen van wat jullie Eenoog noemen. Er lijkt iets te zijn ontwaakt. Het lijkt er op dat jullie terugkeer met de terugkeer van die ziekte te maken heeft. Het kan twee kanten opgaan. de goden zouden wel eens uitgeschakeld kunnen worden. Ze zijn ontstaan uit de grote knal en zijn bang dat als alles opgeheven wordt, zij weer verdwijnen. Zielig, maar heel machtig.”
De Annil vliedt onder ons door. We worden niet meer staande gehouden bij de grenzen en de mensen aan de kant lijken niet erg op ons te letten. 
“Ik vind het leuk om kennis met jullie te maken. Maar jullie zijn nog zó jong en onstuimig.”
Claude: “Als niemand ons helpt …”
De man gaat zich er niet druk over maken. Hij maakt zich meer zorgen over de komende strijd tussen ons en Eenoog. Die zit in Euboia. Risha begint over het ontplofte eiland en de handel met Euboia. “Dat was een terecht verdiende actie,” reageert de man, “maar wat ze daar deden?” Chang laat het flesje zien. “Dit is niet bekend in Alexandros,” zegt Risha. Hij herkent het spul ook niet. “Dit werd dus verhandeld naar Euboia,” zeggen we, “de echte mijn is ergens anders.” Dit is nieuws voor hem. Hij gaat zijn siderials poolshoogte laten nemen, maar zij zitten niet in ‘besmet’ gebied.
Risha wil weten wat we tegen de tijdsprongen kunnen doen als we stukjes geheugen terugkrijgen. “Dat is een natuurwet. Qartianen zijn in dat soort dingen geïnteresseerd. Die bronnen, overal ter wereld, doen wat met tijd. Ze zijn een eigenschap van deze wereld. Ik heb de eerste mensen na de ramp, twee baby’s, naast zo’n bron gevonden.” Hij blijkt de enige overlevende exalt te zijn van vóór de ramp. “Ik ben bewusteloos geweest. Voor de ramp was er een verlichte kaste. Steeds meer leden daarvan lijken terug te komen. Maar nu, door mutatie misschien, gesplitst in verschillende types. Sorcery komt bij de gemuteerde rassen vandaan. Dat van die steden klopt niet. Er is een mythologie afgesproken en die is terug geprojecteerd. Jullie kwamen uit die stad en de lunars kwamen uit Salish. Er waren meer dan vijf steden. Nou kleintjes, ik ga afscheid nemen. O ja, mijn naam is Imhotep.” 
“Als er wat is, hoe kunnen we u bereiken?” vraagt Claude. 
“Ik bepaal wanneer we weer contact hebben,” zegt hij ten afscheid.

4-iv-R2
Drie dagen later zijn we bij Alexandros. Het gaat onnatuurlijk makkelijk. we hebben geen steekpenningen meer nodig. Het ei smelt onderweg niet verder. We moeten het naar de markt brengen, maar het is veel te groot. Gwan gaat naar de tovenaar. 
“Leuk je te zien. Waar zijn je vrienden en de ijsdemon?” grijnst de tovenaar.
Gwan: “Die staan buiten de stad. Te groot voor de steegjes.” 
“Ah, maar de afspraak was hier voor mijn winkel. Levend of, liever, dood.”
Gwan neemt hem mee om te kijken. De man kijkt een beetje bezorgd. “Nou ik ben onder de indruk. Ik had niet gedacht dat het jullie zou lukken. Maar afspraak is afspraak. Zullen we maar bij de kust afspreken? En we moeten een oplossing bedenken om hem in bedwang te houden als het ei uitkomt. Kunnen jullie zelf zorgen voor ketens? Een smeltende ijsreus werkt nog, een verdwenen ijsreus hebben we niets meer aan. Het gaat om die cruciale minuten.”
Zes uur later — het ei is weer aan het smelten — staan we met het ei op een verlaten strand. We hebben nog steeds geen last van de autoriteiten. We hebben heel veel touwen samen geslagen tot iets wat dik genoeg is om zo’n reus vast te binden. In het zeewater smelt hij heel snel. Net als de tovenaars aankomen, breekt de schaal. Er komt een enorme rups uit, het larve-stadium. Hij is transparant met een netwerk van lichtgevende aderen. Het idee is om hem buiten westen te slaan en dan vast te binden zodat de tovenaars er hun onderdelen van kunnen oogsten. Risha krijgt de Malphean Iron Staff van Octavian. < Mep ! > Het is te warm. De rups is slap van de hitte en Risha slaat door de kop heen als door slush. Het netwerk van aderen dooft langzaam  … KNAL ! … het beest barst uit elkaar voordat de tovenaars er bij zijn. Risha zit onder de slurrie. Het grootste deel van het water verdampt nog voordat het de grond heeft bereikt. 
iedereen staat wat beteuterd te kijken naar de snel verdwijnende plassen op het strand … Shit ! … Karoen Hotep en zijn vrienden zijn flabbergasted, maar houden zich goed. “Jullie deel van de afspraak is nagekomen,” zegt Karoen, “Heren, mijn complimenten! Dus het contract gaat nu in.” 
Gwan stelt voor morgenmiddag om 1 uur in de haven af te spreken.

5-iv-R2
Claude gaat de volgende ochtend met de helft van het overgebleven zilverfolie naar de metaalmarkt. Daar ruilt hij het om voor titanium. 
Gwan duikt de bibliotheek in en zoekt mythes op over de zuidlanden. Er is bitter weinig van bekend: er is jungle. Melek Qart drijft handel met het Zuiden, maar houdt zorgvuldig geheim wat er daar te vinden is. Sprekende dieren zijn de niet-gemuteerde oorspronkelijke wezens.  Dat is alles. Daarna gaat hij verder lezen over kristallen bollen. Hij leest dat ze vooral gebruikt worden door Qartiaanse tovenaars en bepaalde geheime genootschappen (siderials). Ze kunnen alleen gebruikt worden op speciaal geprepareerde plaatsen. Dus dat Gwan onderweg kan screenen, is inderdaad iets heel bijzonders.
Risha gaat naar een badhuis en laat zich verwennen.
Om één uur verzamelen onze galei en negen andere schepen voor de haven. Iedere tovenaar heeft zijn eigen gevolg bij zich.

3 xp

Tanais – 61

Tanais 61; 22-11-2013

8-iii-R2
We hebben overnacht bij Abdel Ahmed, het blijkt een intelligente man te zijn die het eigenlijk wel leuk vindt dat we hem hebben gerecruteerd. Tegen het ontbijt heeft hij een zeewaardige galei voor ons geregeld. Het is een goed Geb-model, maar verre van de kwaliteit van onze hobbit-catamaran. Het is mooi weer. Met Abdel’s handelsbrieven kunnen we probleemloos de grenspatrouille schepen passeren. Daar voorbij gaan we vaart maken. Een dag en een nacht later zijn we halverwege. Het weer is erg wisselvallig, dan weer is het heel koud, dan weer heel heet. De zones wisselen elkaar af. Het effect wordt steeds geprononceerder naarmate we Noordelijker komen. Aan het einde van de volgende dag zijn we vlak bij de ijstong. Hier is het alleen maar koud. We gooien het anker uit. ’s Nachts blijkt het ijs zwak groenig licht te geven. Het is een ijskoude nacht, het water is heel visrijk, voor het eten vangen we lekkere visjes en daarna gaan we slapen.

10-iii-R2
De volgende ochtend gaan we het ijs op. Het is spekglad en ziet er uit als een bevroren waterval, massief en onnatuurlijk. Risha voelt in zijn botten alsof er iets uit het ijs naar hem reikt, het is een onaangenaam gevoel. Chan en Claude hakken een stuk ijs ter grootte van de galei los. We maken het vast aan de galei en varen terug. Halverwege de dag komen we er achter dat het ijs heel langzaam smelt. Claude rekent uit dat we hiermee in dit tempo de bergen niet eens gaan halen. We keren terug en gaan de volgende ochtend het ijs weer op, in de hoop dat we midden in de ijstong kouder en stabieler ijs kunnen vinden. Nu voelt iedereen het, Het ijs vreet aan je uithoudingsvermogen [stamina]. Het is een golvend ijslandschap, de lager gelegen delen zijn kouder en hebben een krachtigere straling. We graven diep. Na drie dagen hoort Gwan in de namiddag een dof galmend geluid. Hij is op metaal gestuit. Het is een ons onbekend, hoogwaardig metaal, glad gepolijst en met een heel lichte kromming. We kunnen geen openingen vinden. Misschien ligt het wel onder de hele ijstong. In dat geval zou deze structuur vele kilometers lang zijn. Hier is het echt vreselijk koud. Risha denkt dat het ijs wat het dichtst bij het metaal ligt er het langst over zal doen om te smelten. We hakken een stuk uit ter grootte van de galei. De volgende dag varen we terug.
Dit ijs smelt ook, maar inderdaad veel langzamer dan het stuk ijs van de oppervlakte dat we eerst hadden. Naar schatting haalt dit het tot aan de bergen en halverwege de terugreis naar Alexandros. Risha stelt voor om het in Alexandros in te pakken in stro. Gwan denkt dat aluminiumfolie nog beter is.

17-iii-R2
We komen ’s morgens aan. In de stad slepen we het ijs een botenhuis binnen en pakken het in stro. Dan gaan we naar de metaalmarkt. Het blijkt dat aluminium duurder is dan goud. Risha stelt voor om dan bladgoud te gebruiken, maar we kiezen uiteindelijk voor zilverfolie. De zilversmeden gaan aan het werk en in de loop van de nacht is de bestelling rond. Het ijs wordt ingepakt en de volgende ochtend kunnen we met onze matrozen vertrekken.

18-iii-R2
Claude kijkt of hij met Watermagie het zilver kan besproeien, zodat het door de verdamping afkoelt, en of Gwan met Zonnemagie de zon minder hard kan laten schijnen. Beiden slagen; we varen verder in de schaduw van een meereizend wolkje. De rivier is smerig van dode honden, afval en verlepte bloemoffers aan de goden. Het is te ondiep voor het zware blok ijs dus we charteren nog een papyrusboot en sjorren de twee schepen er aan vast als drijflichamen. Na een uur komen we bij de grens met de volgende nome (provincie — er zijn er 42). Na enig geharrewar schuift Risha een goudstuk tussen de reispapieren, hij zet al zijn charme in en daardoor mogen we door. We krijgen zelfs een fiche mee voor vrije doortocht bij de volgende provincie. Het is een saaie reis, want we hebben geen tijd om de piramides en de prachtige tempels te bezoeken.

22-iii-R2
Na vier dagen en nachten komen we aan de laatste grens. Hier voorbij beschouwen de bewoners zich nog als onderdeel van Geb, maar er is geen farao of ander gezag. De rivier wordt wilder. Claude gebruikt de charm Salty Dog Method om de woelige baren te trotseren. Uiteindelijk wordt het te steil voor de schepen. We leggen aan en kopen van lokale boeren hout, waar Claude met Object Strengthening Touch een stevige wagen van maakt. We kopen ook zestien ossen om hem te trekken.

24-iii-R2
Twee dagen later komen we bij het chaparral. Dit bestaat uit ondoordringbare doornstruiken. Hier wonen geen mensen meer, het enige wat hier nog leeft is geiten. Het ijs wordt goed verstopt, de soldaten blijven achter om de ossen en het zilver te bewaken. Wij gaan te voet verder door de snelstromende rivier. Claude gaat met hulp van de charm Featherfoot vooruit om alvast een kamp op te slaan. Tegen de avond komen de anderen aan bij het kampje, net voorbij het chaparral, in een lieflijke graslandje. Het is hier goed toeven. Verderop begint een jungle.
De volgende dag lopen we door het natte woud, we horen vreemde vogelgeluiden en zien dieren die we niet kennen. Het is een loofbos wat al aardig kaal begint te worden. Hoe hoger we komen, hoe natter en mossiger het wordt. De Annil is inmiddels opgesplitst in een heleboel beekjes met ijskoud water. We ploeteren verder omhoog tot we aan het einde van de mistjungle komen. Daar voorbij is alpenwei, gevolgd door een rotsig stuk en daarboven wordt het heel steil. Chang leert onderweg aan Gwan en Risha de Graceful Crane Stance en Spiderfoot Style, zodat zij ook grip hebben op de moeilijkste stukjes. Als het begint te sneeuwen slaan we kamp op.
De volgende dag klimmen we verder naar de grillige bergtoppen. We zitten aan het einde van de dag op tien kilometer hoogte en kijken uit over een geologisch heel jonge hoogvlakte: veel scherpe pieken, gletsjers en heel veel rots. Sommige pieken verhullen ijsreuzen, maar ze zijn wel onbereikbaar ver weg. Het is een ‘nest’ van 25 à 30 reuzen. Gwan experimenteert wat met het laten smelten van ijs met zijn Zonnemagie. Daardoor realiseren hij en Risha zich dat de ijsreuzen één keer per jaar smelten, waardoor het water stijgt. Ze paaien en sterven. We gaan morgen de kraamkamer zoeken, maar eerst slaan we kamp op.

27-iii-R2
Claude vindt een kom met een soort van enorme eierschaal in de gletsjer. We gaan kijken en vinden een ondergesneeuwd ei van wel vijftig meter lang. Daarbinnen zit een embryo van een ijsreus. Het ei losmaken uit de sneeuw blijkt niet zo moeilijk, maar hoe vervoer je het? Risha ontwerpt een soort bobsleebaan en Chang maakt van bomen die hij kapt in het oerwoud een stootblok aan het einde ervan. Claude maakt een vangnet. Met Windmagie remmen we het ei af. Het stuitert naar beneden, maar met hulp van de juiste windvlagen en een boel geluk eindigt de rit in een grote berg zacht materiaal. We horen wel een zachte ‘krak’… er zit een butsje in!

3 xp

Tanais – 60

6-iv-R2 laat in de middag
De tovenaar, hij heet Karoen Hotep, corrigeert Risha: de Negen zullen niet vóór ons werken maar mèt ons.
We nemen afscheid en gaan naar de bibliotheek, waar Claude nog steeds zit te studeren. Hij heeft inmiddels een soort helikopter ontworpen met twee tegen elkaar in spiralende zeilen en een repeteerkruisboog. We zoeken naar informatie over de IJsdemon: er wonen ijsreuzen in de zuidelijke bergen waar de rivier Annil ontspringt. Ze worden door de lokale bevolking geëerd omdat ze verantwoordelijk zijn voor het wassen en dalen van de rivier. Als er eentje sterft, stijgt het waterniveau. De beschrijving lijkt op onze ijsreuzen. Maar we realiseren ons ook dat het merendeel van wat in de boeken staat fabels zijn. Er zijn geen ooggetuigenverslagen. Omdat ze wegsmelten is er nooit een dode ijsdemon onderzocht. We lezen over wat ons verder in die bergen te wachten staat. Naast de weelderige fauna en flora die in bergen leeft, zijn er diverse metaal-elementalen. Het is een week varen tot de voetheuvels, daarna duurt de reis naar de sneeuwgrens nog een week. En dan moeten we nog een ijsdemon vangen en bevroren mee terug krijgen.
Risha stuurt via de Qartiaanse handelaren in Alexandros bericht naar Kadier en vraagt of die aan Mahakrishna door wil geven ‘dat we wat later komen.’
Om acht uur ’s avonds gaat de bibliotheek dicht. Buiten is het donker. In het steegje worden we overvallen door zes mannen in identieke zwarte kleren. We schakelen ze zonder probleem uit. Vier zijn er dood, twee bewusteloos. Aan beide kanten van de steeg komt een overkill aan stadswachters binnen. Was het een hinderlaag? We wachten het niet af. Met Spider Climb klimmen we over een muur naar de daken en we weten te ontkomen. We rennen naar de haven. Daar ontdekken we dat de katamaran weg is.
Gwan pakt zijn kristallen bol er bij. De katamaran ligt in een botenhuis, het is er netjes en droog. Adrarn is niet te scry’en. Een van de manschappen zit in een cel achter een ijzeren traliedeur.
Chang stelt voor dat Risha en hij zich in vermomming laten oppakken voor een klein vergrijp en de matroos in de politiecel op gaan zoeken. Claude vermomt hen als passagierende zeelui en ze doen alsof ze dronken zijn. Nadat ze enig misbaar gemaakt hebben, pakken twee wachters (die ook in het steegje waren) hen op. Ze worden samen in een cel gegooid om te ontnuchteren. Maar het is een wijkkantoortje met maar één cel, dus hun matroos zit niet hier. Risha opent het slot en klaagt dat de deur niet op slot zat. Omdat we erg hinderlijk doen, is er twintig man versterking nodig om ons te bedwingen, en we worden meegevoerd naar het hoofdkantoor. Daar worden we in aparte cellen gezet. Door een spleetje in het plafond zijn sterren te zien. Bovenste etage, en te nieuw. Maar het is inmiddels al heel laat, dus we gaan maar slapen. In de loop van de nacht breekt Claude in in dit kantoor en hij steelt een deel van de administratie.
7-iv-R2
Risha maakt de sloten open en we sluipen langs de slapende wachters de trap af. Chang heeft krakende slippers en een wachter wordt wakker. Die slaat alarm. We knokken ons een weg naar buiten en Chang verzamelt de helmen van de wachters. Als we weer bij elkaar komen, leggen we wat we weten naast elkaar. In de dossiers is niks over de katamaran of ons te vinden. We zijn dus niks te weten gekomen.
Gwan pakt zijn kristallen bol en gaat nu op zoek naar onze lading. Hij ontdekt dat het tempelbier in een villa is. Hij ziet twee mannen drinken bij het ontbijt. De ene is heel luxe gekleed, de andere veel eenvoudige, maar die draagt een opvallende zegelring met de afbeelding van de vuurtoren van deze stad. Die met de ring is duidelijk de baas. Dan focust hij op Adrarn. Die is nu wel in beeld. Hij zit in een kantoortje en is in gesprek met de havenmeester.
We gaan naar de haven om een klacht in te dienen. Adrarn en de havenmeester zijn heel blij om ons te zien. Ze hebben geen idee wat er aan de hand is. “We zijn overvallen,” zegt Adrarn, “de mannen zijn meegenomen, maar mij hebben ze vrijgelaten.” Wat hij beschrijft is het ninja-gilde waar wij ook door zijn overvallen. “Ze wilden me terugsturen naar mijn pa!”
De havenmeester nuanceert het verhaal. Hij wil ons helpen en wijst ons waar de botenhuizen van de echte notabelen te vinden zijn. Hij is er van overtuigd dat het een hoge hoveling moet zijn geweest. Niet de farao, maar wel iemand in diens nabije omgeving.
We gaan nog even naar de bibliotheek. Die zegelring … die is wèl van de farao!
Daarna gaan we de botenhuizen langs die de havenmeester ons heeft gewezen. Gwan herkent er eentje uit zijn scrying. Als we de deur open maken, zien we onze katamaran liggen. Het botenhuis is van ene Abdel Ahmad. Om twee uur ’s middags vinden we zijn villa. De tuin is ommuurd, de twee bewakers worden door Claude buiten westen geslagen en gekneveld. We komen binnen en treffen drie laveloze kerels aan. De man met de zegelring is er niet bij. Claude knevelt ze en we ontvoeren de eigenaar van de villa naar zijn eigen botenhuis. Het is intussen vijf uur.
Als hij bijgebracht is, probeert hij zich vrij te kopen. “Het was allemaal in opdracht van de farao! Hij wilde jullie katamaran, omdat die zo snel is. De bedoeling was om jullie in de val te laten lopen en je bezittingen verbeurd te laten verklaren.” De bemanning zit in zijn kelder. Hij is bereid om een brief te schrijven waarin hij opdracht geeft ze vrij te laten en geef die aan Chang mee. Het ninjagilde kun je gewoon kopen, vertelt hij. Alle notabelen hebben daar contacten mee. Hij vertelt meteen dat de ninja’s de farao nooit zullen aanvallen: je gaat geen godheid doden.
In zijn angst stelt hij voor dat hij onze spion wordt hier in Alexandrios. Hij wil ons 10% van zijn vermogen geven. Risha accepteert dit en zweert hem in als dienaar van de koning van Soul, een landje waar de arme man nog nooit van gehoord heeft, en Claude grijnst hem toe: “Nu val je onder mijn geheime dienst.”
Chang ziet de lokale Sherlock Holmes sporenonderzoek doen in de villa. Hij laat de brief van de eigenaar zien, het zegel klopt en hij krijgt de mariniers mee.
Risha stelt voor dat Abdel de katamaran aan farao geeft, maar in ruil wil hij twee schepen, een zeewaardig en een om de Annil op te varen. Claude maakt de katamaran onklaar, zodat die bij windkracht 8 uit elkaar valt. We doen alsof Abdel overvallen is, maar er met de kleerscheuren van af gekomen is.
Claude geeft hem opdracht om de magiërs in de gaten te houden, met name de groep die zich ‘de Negen’ noemt.

Tanais – 59

21-iii-R2 ochtend

Na een echt hobbit ontbijt worden we aangesproken door de burgemeester. Hij vertelt dat er eerst een plenaire vergadering is van de Egelraad (ieder eiland van Albion is een ‘stekel’). Dat is voor ons niet interessant. Om vijf uur begint het feest, dan worden we opgehaald. Tot die tijd moeten we onszelf amuseren. Het is niet de bedoeling dat we buiten het dorp komen. In het dorp is het heel druk. Wij vallen best op. Ieder eiland heeft een eigen hoedje en de hobbits spreken onderling een eigen taal, die we niet verstaan. We eten wat bij diverse kraampjes en dan vraagt Risha aan Gwan of die een kristallen bol mee heeft. Ja. Even het thuisfront checken. Eenoog stad Shearton is grijs, de mensen werken hard en maken een tevreden indruk. Het marktplein van Shantitown is niet in beeld te krijgen. En het ontplofte vulkaaneiland is nu een ring kraterwanden die uit het water omhoog steken. Er liggen nog wat skeletresten. Claude krijgt inspiratie voor een gevangeniseiland.

Om 5 uur worden we opgehaald en naar de haven gebracht. Daar scheept iedereen zich in. Wij nemen onze eigen keukencatamaran.  De hele vloot vaart naar de Westkant van het eiland. Iedereen ontscheept en loopt naar de klif. Daar gaat iedereen in het gras zitten, met zicht op de zee. Een oude hobbitpriester begint een incantatie. Drie helpers gaan alle mensen langs met strootjes. Wij mogen er ook ieder eentje trekken, wie wint mag naar de goden. De boerenknul die het kortste strootje heeft getrokken probeert blij te kijken, maar dat lukt hem niet zo. De oude hobbit gaat weer incanteren. De lucht scheurt open en er komen vrouwen met scherpe klauwen, aasgiervleugels en scherpe snavels aanvliegen. Ze grijpen de jongen en voeren hem mee terug naar waar ze vandaan kwamen. Daarmee is het ritueel voorbij. Met Essence Sight ziet Chang dat de incantatie van de priester essence gebruikte om de lucht te openen, de vrouwenfiguren waren echt en van vlees en bloed. Risha vraagt aan een hobbit wat er nou eigenlijk gebeurd is. “Het zijn Vanth. Zij beschermen ons, bemiddelen tussen ons en onze voorouders. Dank zij hen hebben we onze magische krachten.”

De hobbits gaan, blij dat het offer is aanvaard, weer naar hun schepen. Maar de priester vraagt aan ons of we willen blijven. Als de meesten hobbits weg zijn vraagt hij: “Zijn jullie gereed?” Hij wil weten wat we willen leren. Claude wil Water, Risha Sterren en Wind, Gwan Zon en Chang wil ook Wind leren. We mogen in het gras gaan slapen. We hebben dezelfde droom: de Vath komen aan, met bloed aan hun snavels en klauwen. Risha groet ze: “Namasté.” Ze lachen en groeten terug: “Zijn jullie er klaar voor?” Dan vallen ze aan, we kunnen ons in de droom niet verweren en worden tot op het bot kaalgevreten. [Speltechnisch: we gooien evenveel dobbelstenen als de laagste Virtue. Difficulty 7 voor niveau 1, 8 voor niveau 2. We hebben allemaal genoeg successen om te leren wat we willen. Chang heeft eindelijk niveau 1. Risha heeft 3 successen en tilt beide vaardigheden naar niveau 2.]

22-iii-R2

We ontwaken met spierpijn. De wereld lijkt wat helderder, we beheersen onze gekozen elementen beter. Risha kan door de blauwe hemel heen nu ook overdag de sterren zien en hij roept bij het ontbijt een storm in zijn glaasje water op. In het dorp zijn ze niet meer in ons geïnteresseerd. De burgemeester stelt desgevraagd het contact wel op prijs, maar hij wil geen internationaal gekonkel. We zijn welkom in deze haven, maar onze schepen mogen de andere eilanden van Albion niet aandoen. Dan vertrekken we en we gaan nog even dag zeggen tegen Daguerre op het eilandje waar onze handelspost wordt gevestigd. Ze is in haar element met het rond commanderen van de hobbits. Ze komt op eigen kracht wel weer thuis. We merken dat met onze nieuwe kennis het scheepje nog twee maal zo snel is, niveau America Cup. Het is in dit tempo maar zes en een halve dag varen naar Melek Qart.

2-iv-R2 zonsondergang

We hebben een kristal waarmee we door de magische barrière heen kunnen varen. De Qartiaanse bewaking kan ons niet eens bijhouden, dus we bereiken de haven vóór het nieuws. We kiezen er voor om aan te leggen in de dure haven. Dat kost een goudstuk per dag. Onze keuken catamaran steekt een beetje karig af tussen de luxe jachten. De soldaten blijven aan boord, wij betrekken met Adrarn een goede herberg. Eerst gaan we naar een kleermaker. Risha en Adrarn willen er namelijk vorstelijk uitzien als we bij de grootvizier op bezoek gaan. De kleren zijn morgenavond klaar.

3-iv-R2

Als Adrarn er niet meer uitziet als noordelijke barbaar wordt hij de herberg herkend. Het personeel fluistert: “En hij is niet eens de baas? Wie zijn de metgezellen dan?” De bediening is opeens een stuk vriendelijker.

4-iv-R2

We nemen een koets. In het paleis worden we vorstelijk onthaald. De grootvizier is oprecht blij om zijn zoon terug te zien. “Zijn ze goed voor je?” Adrarn klaagt over spierpijn. “Laten ze je bediendenwerk doen?” “Nee, ik leer vechten. Maar ik krijg hoofdpijn van het studeren en de wapentraining is saai en zwaar.” “Volgens mij is het hartstikke goed voor je,” zegt zijn vader, “maar werk je er niet genoeg aan. Gedraag je als een kerel! Hoe heb je uitgeblonken?” Adrarn vertelt over de explosie en de verdwijning van Chantal. “Ik ben trots op je,” zegt vader, “je was een deugniet, maar het wordt wel wat. Het is de bedoeling dat je mij opvolgt. Maar als je niet op alles voorbereid bent, houd je het niet lang vol als grootvizier.” We krijgen Adrarn nog een jaartje mee.

Daarna heeft hij aandacht voor ons. Hij bedankt ons voor wat we gedaan hebben en wil weten wat wij willen. Risha vertelt dat hij tovenaars uit Geb wil inhuren. “Ik geef je weinig kans. Zorg dat ze je niet bedriegen. Ze zijn stervensduur en erg gehecht aan hun woestijn. Wij hebben er geen één in dienst.” Risha zegt dat hij dan misschien wel in de leer kan gaan. “Dat lukt niet. Ze leren hun kunsten alleen door aan andere Gebianen. Je kan beter in de bieb studeren. En hun magische spullen kopen als je genoeg geld hebt.”

We onderhandelen de vestiging van een handelshuis aan deze kant en een lijst van onze schepen die met Melek Qart mogen handelen. Ook bespreken we mogelijke handelswaar zoals olifanten en papyrus. De grootvizier adviseert ons om voornamelijk de beste kwaliteit te leveren, high end.

Gwan wil scry-contact houden. De grootvizier roept er een priester bij. Ze maken afspraken, Gwan blijkt een uitzonderlijk talent te hebben dat hij een glazen bol kan gebruiken onderweg. Normaal heb je daar een speciaal geprepareerde ruime voor. Gwan zal een kamer in Bronwë inrichten zodat de priester hem daar kan contacteren.

Risha vraagt om een accurate prijslijst voor de magische materialen die Melek Qart verhandelt. Als hij op zijn woord als koning belooft om de lijst aan niemand anders te laten zien, krijgt hij die. We vertrekken de volgende ochtend naar Geb. Dat is anderhalve dag met onze snelheid.

6-iv-R2 middag

Alexandros is een stuk chaotischer dan Melek Qart. We gaan eerst naar de bibliotheek. Wat is bauchliet? Volgens de boeken in de afdeling chemie is het een heel goedkoop spul, een paar koper per kilo, wat gebruikt wordt als strooimiddel in kratten. Het vloeibare metaal in ons flesje is iets totaal anders. Het bestaat niet, althans, de bibliotheeekmedewerker kan er nergens een referentie naar vinden. Het flesje zelf is van Euboia glas. Duur, maar ook een extra bewijs dat Euboia de afnemer van het materiaal is.

We gaan verder naar de Al Chemia Markt. Daar is alles te koop wat we wèl in de bibliotheek hebben gevonden. Maar het spul in ons flesje herkent niemand. Claude bleef achter, hij gaat op zoek naar een manier van aandrijving voor zijn contrapties. Hij vindt vergeelde perkamenten met de ontwerpen van een uitvinder Dave Insi. Maar een brandstofmotor is nog niet uitgevonden. Hij vindt wel van alles over tandwielen. [Het niveau van technologie is graeco-romaans.]

Risha gaat naar de tovenaar die ons heeft geholpen met de aap. Hij beschrijft Eenoog, de Abyssals en wat we gevonden hebben in de Barrows en de gangen onder Shanti Town. De tovenaar kent Eenoog niet, maar Nehal Nemar heeft hij wel eens van gehoord. “Een onbeduidend kereltje.” Het verbond tussen de Abyssals en de Weavers interesseert hem wel. De groene vrouwen zijn volgens hem Shuragi, wezens van de Weaver = Eenoog. Chang vertelt van de strijd tegen Octavian. De tovenaar gelooft hem eerst niet. “Dit is zijn staf” zegt Chang, “en Risha heeft de magische eikel.” De tovenaar zet grote ogen op. Hij wil ze wel kopen. Als we vertellen dat er negen van dat soort demonen zijn, regeert hij met: “Respect voor Eenoog en Nehal Nemar.” Risha vertelt dat hij zelf een beginnende tovenaar is, en graag meer wil leren. De magiër wil wel eens zien wat het knaapje kan. Risha maakt de moedra’s die hij van Oaken heeft geleerd. Als het Zielenzwaard verschijnt, zegt de tovenaar verbaasd: “Waar hebben jullie ons nog voor nodig? Dit is epische magie.” “Het is wel een stoere spreuk, maar het is mijn enige.” zegt Risha verlegen en Chang vult aan: “We hebben leiding nodig. Iemand die echt wat van magie begrijpt.”

De tovenaar denkt even na. Hij kan met acht vrienden komen en hij wil de Eikel en de Staf. “En wat hebben jullie nog meer aan te bieden?” Na enig loven en bieden, kan Risha de Eikel behouden en we spreken af dat we als gelijken delen wat we van verslagen demonen overhouden. Wij zijn met vier, de tovenaars met negen. Maar voordat ze met ons mee willen gaan, moeten wij eerst onze waarde bewijzen als zakenpartner. “Als jullie het lijk van de IJsdemon uit het Zuiden brengen, zullen wij, de Negen, een jaar en een dag voor jullie werken. De staf en negen-dertiende van de bezittingen van de demonen zijn onze betaling.”

3 xp

Tanais 58

2-iii-R2
Het hele gezelschap trekt in colonne terug naar Bronwë. De reis duurt drie dagen. De tweede dag zal er regelmatig gestopt moeten worden omdat het een heilige dag is en de brahmanen allerhande rituelen uit moeten voeren. Wij rijden te paard verder en komen daarom ruim eerder aan dan de voetgangers.

3-iii-R2
We komen ’s avonds aan bij de ambassadeursstad en gaan meteen door naar het paleis. Kadier wacht ons daar op. Hij is de majordumus voor en bericht ons dat Daguerre terug is. Tijdens onze afwezigheid zijn de siderials langsgeweest. Die komen nog wel terug. Bambi wil een vrijhandelsverdrag sluiten tussen Sesklo en de Noordelijke Liga, wat misschien niet zo’n goed idee is omdat Soul daar niets aan verdient. De Derwet – Soulfield priesters – zij langsgeweest. Die hebben ons net gemist. Hun boodschap was dat de Hoogzetel moet worden heroverd en de Veenzaal mogen we niet kwijtraken. MacArthur is spoorloos verdwenen. Hij werd teruggeroepen naar Vixen en is toen gedeserteerd. Het feest in de tempelstad is goed verlopen. En er is een uitnodiging om het midherfstfestival in Albion te komen vieren. Dat is de 21e van deze maand. Het is verder rustig. De herstelwerkzaamheden in Shanti gaan door en de gasten van het kroningsfeest zijn inmiddels allemaal weer vertrokken.
Claude laat ons zijn ontwerptekeningen zien voor een soort onderwater ligfiets die hij Nautilus noemt.

4-iii-R2
Claude gaat vier nautilussen maken.
Risha gaat bij zijn schrijn langs. Charakas groet hem respectvol. Alle grafitti is weer verwijderd. Hij blijft Risha trouw en voert dagelijks de juiste rituelen uit. Het is in zijn ogen eigenlijk wel logisch dat de god van de verdwenen kinderen zelf ook af en toe verdwijnt. Hij heeft bericht gehad van Malice dat de bakstenen over een week of zes klaar zullen zijn. Dan kan de grote ceremonie op een van de heilige dagen daarna uitgevoerd worden.
Chang inspecteert Shantitown. Het is ‘business as usual’. De smeltplekken worden een beetje gemeden. Hij laat er muurtjes omheen optrekken, zodat mensen er niet doorheen kunnen zakken en in de gifgastunnels eronder terecht komen. Hij geeft de bouwmeesters opdracht om na de bordelen een brouwerij te maken naar het voorbeeld van de brouwerij in de tempelstad. Dat is ook goed voor de werkgelegenheid. De brahmanen krijgen van Risha toestemming om hun eigen gebouwen repareren. Dat vinden ze fijn, want dan hoeven er geen profane werklieden over de heilige grond te lopen.
Risha stuurt een boodschapper uit naar Albion om door te geven dat hij de uitnodiging graag aanneemt.

5-iii-R2
Risha en Mahakrishna ontbieden de ambassadeurs van Sesklo en de Noordelijke Liga en vertellen wat er met de Barrows is gebeurd. Bambi is ontzet. Ze gaat zelf poolshoogte nemen en reist dan door naar Sesklo voor overleg. Ze hoopt dat haar land ook legers zal sturen. Risha zegt dat hij na het bezoek aan Albion door wil varen naar Geb om tovenaars te regelen. Ons plan is om eerst naar Albion te varen. Dan gaan wij met zijn vieren verder naar Geb en van daar, voordat het dichtvriest, via de noordelijke route naar de Witte Stad. Dan zijn we terug tegen de tijd dat Risha’s bakstenen klaar zijn. Na de ceremonie kan Risha vliegend de Hoogzetel gaan verkennen en daarna trekken we ten strijde.
Chang stelt voor dat de koning de eerstvolgende wagenrennen gebruikt om aan zijn populariteit te werken. “Brood en spelen.” Risha ziet dat wel zitten. Hij wil een geel team van jonge shintasta edelen oprichten en hij zal tijdens en na de wagenrennen gratis bier verstrekken.
Daguerre overlegt met Claude. Zij stelt voor dat ze met een handelsvloot meereist tot Albion. Ook Risha’s vriendinnetje Sarina gaat mee om een textielhandel op te zetten.Chang besluit dat hij vooruit zal reizen naar de haven om alvast zeelui te charteren die hij als mariniers kan trainen. Ook Claude wil eerder vertrekken zodat hij de catamaran uit zijn verstopplek kan halen en ongemerkt zijn nautili aan boord kan brengen. Risha regelt met Daguerre dat zijn oude roversbende maandelijks een reünie kan houden in haar bordeel. Ze vind het wel grappig dat een struikrover het tot koning heeft geschopt.
Wat kan Soul allemaal leveren? We inventariseren: bier, wol, huiden en leer, stoffen, houtsnijwerk, amber, barnsteen (nee, dat is niet hetzelfde), gedroogd koeien-, paarden- en lamsvlees, zuurkool, shintasta producten en zelfs sprookjesddieren uit Erebor. Risha zal er voor zorgen dat er een goede lading van al die dingen naar de haven gestuurd wordt.

Er verstrijkt een week waarin Chang naar de haven van Groath gaat. Het dorp ligt er goed bij, het kroegleven bruist. Er zijn al zestien schepen gebouwd, het wachten is op lading. Hij traint 12 man als marine officier, vier zullen ons op de catamaran bijstaan, de overige acht krijgen de opdracht om zelf meer mariniers op te leiden.
Claude haalt de boot op bij de ingang van de rivier Sheila. Hij brengt de onderzeefietsen aan boord en vaart naar Groath.
De schepen worden volgeladen. Risha regelt dat er een aantal vaten dertig jaar oud tempelbier als relatiegeschenk mee gaan. Hij zorgt ook dat er een strijdwagen gemaakt wordt en wagenmenners komen. Pedro van het rode team loopt over naar het team van Risha. Blauw wint. Maar dat vindt de koning niet erg. Zijn gratis bier zorgt voor een groot volksfeest.

10-iii-R2
Er wordt bericht dat er een Wyld-burst was, even voorbij Tinder. Een lading goederen uit Satem is verzwolgen in de chaos.
11-iii-R2
Het leger van 5000 man komt aan bij de stad Soul. Daar wordt kamp opgeslagen. Koning Mahakrishna weet hoe leeg de schatkist van zijn broertje is en biedt aan om de eerste maand nog te financieren. Dan gebeurt er weer enkele dagen niks bijzonders.
14.iii-R2
Het hele land wordt opgeschrikt door een doffe knal. In het zuiden, in Sesklo, is vuur en een rookpluim te zien. Is er een vulkaan uitgebarsten in de bergrug waarmee Sesklo aan de Shintasta landen grenst? Bambi is ongerust.
15-iii-R2
Er wordt bericht dat een vissersboot door Hags is gepakt.
17-iii-R2
Eensteen en Platto sturen een boodschapper: De coup in Targon is helemaal gelukt en er is een ‘verlicht regime’ ingesteld. Risha gniffelt. Zijn eerste vazalstaat. Nog eentje en hij is maharaja. Erebor is ook een makkelijke prooi, dus dat gaat wel lukken.
18-iii-R2
De vloot vertrekt. Het is prachtig weer. Het langzaamste schip bepaalt het tempo van de vloot. Op de 19e is het bewolkt en op de 20e miezert het.
20-iii-R2
We leggen aan voor de kust van Albion. We worden verwacht, dus iedereen mag van boord (dit is vrij bijzonder, want meestal laten de hobbits geen buitenstaanders toe). De herberg is schoon. Daguerre kan het goed met de hobbits vinden en zij mag een weekje aan land blijven. Ze regelt dat een onbewoond eilandje kan worden ingericht als handelspost. Wij solars zijn uitgenodigde gasten, dus wij kunnen in de herberg overnachten en de hobbitmeisjes zijn zeer gastvrij. Maar alle andere leden van het gezelschap dienen aan boord te slapen. Ons tempelbier wordt zeer op prijs gesteld, jammer dat het te weinig is. De meisjes van plezier verwennen ons.

Tanais 57

24-ii-R2 ochtend
We maken plannen om de bron onder het paleis versneld leeg te laten lopen en door de wind te laten vernevelen. Claude knutselt een apparaat, Chang vergroot de opening en Risha roept de wind zodat het water over het bos waait. Dat lukt, maar we worden nat gespetterd. Opeens is het een andere dag. We zijn drie dagen kwijt! Het water sijpelt in een dun riviertje uit de opening in de wand. Buiten regent het en het woud staat er mooi bij.

26-ii-R2 13.00 uur
Risha vloekt, want hij had beloofd op te treden voor zijn gelovigen. Als we terugkomen in het kasteel worden we hartelijk verwelkomd. Kadier blijkt de mensen te hebben gerustgesteld en Mahakrishna is blij dat hij de kroon niet heeft hoeven overnemen. Hij vertelt dat ene Zack 7000 uitvaarten heeft geregeld in de Soulfields en dat daarmee ook de eerste volkstelling van Shantitown heeft plaatsgevonden. Er blijkt uitschot te wonen uit letterlijk alle delen van de bekende wereld. Neef Gezeri moet nog begraven worden.
We gaan even bij de bron langs onder de ambassadeursstad. Het waterpeil is heel laag en net boven de waterlijn vinden we vijf hearthstones. Ze zijn (niet verwonderlijk) van het aspect Water en geven de drager Aquatic Prowess – effectief word je een amfibie en je kunt in water even vrij bewegen als op het land. Eén per solar, toeval bestaat niet!
Risha en Chang gaan de uitstroomopening onder het kasteel repareren en kijken héél erg goed uit dat ze niet weer natgespetterd worden.
Mahakrishna roept Gwan. Er is iets verkeerd gegaan; hij had een huwelijk gearrangeerd tussen Gwan en Adèle, de weduwe van Gezeri. Gwan vraagt of er nog andere dames zijn. “Als Adèle niet goed genoeg voor jou is, trek ik mijn aanbod in! Morgen om acht uur is het feest.”
Daarna gaat Risha naar de hoofdbrahmaan vanwege het ritueel dat Oaken hem had opgedragen. Shivanesh neemt hem mee naar de bibliotheek. Daar komen ze er achter dat het offer met 1471 bakstenen een zeldzaame rite is, bedoeld om het geloof op de proef te stellen. Er moeten 73083,734 stenen gemaakt worden en daar moet de koning eigenhandig de 1471 beste uit sorteren. De criteria zijn vorm, klank en stevigheid. Daarmee wordt een purificatieritueel uitgevoerd. Shivanesh verklaart dat te kunnen vliegen zeer krachtige magie is, en het is logisch dat de goden daarvoor zo’n zware beproeving vragen. Er worden kleidelvers en baksteenbakkers uitgestuurd. Bij het verlaten van de biblioheek loopt Risha tegen Malice op. Risha biedt zijn diepgemeende excuses aan omdat hij er niet was. Malice vergeeft hem, maar het heeft veel leden gekost. Hij wil de schrijn aan Charagas overdoen en zelf iets anders gaan doen. Risha biedt hem de baan van opzichter over de baksteenploeg aan. Daar wordt Malice heel blij van. Shivanesh vindt het goed, want dit scheelt hem veel werk.
Chang is intussen naar Shantitown. Hij sommeert de mensen die in het bos wonen om elders een hutje te gaan kraken en gaat puin ruimen. Hij ziet mensen van alle nationaliteiten. Iedereen is erg geschrokken. Er was veel misdaad, maar dit wordt algemeen gezien als een symbolisch nieuw begin. Chang gedraagt zich niet alsof hij zich beter acht dan hen en dat maakt indruk.
Gwan gaat op zoek naar Adèle. Zij woont in het vrouwenverblijf van de ambassadeurswoning van Shintasta-Satem. Er wordt een ontmoeting geregeld op een pleintje. Adèle komt met twee vriendinnen. Het blijkt een aantrekkelijke dame van 28 te zijn. Ze is vriendelijk, intelligent en vrolijk. Alles wat Gezeri niet was. Het was frustrerend dat Gwan er niet was, maar ze accepteert de uitleg. Na deze ontmoeting gaat hij ook naar Shantitown om te helpen. Hij ontdekt dat bepaalde lieden, stille types die onopvallend de orde bewaken, een speciale ring dragen. Het blijken ‘aanhangers’ van Zack.
Bij het avondeten waarschuwt Chang Risha dat zijn aanzien als koning zeer laag is. We gaan vroeg naar bed.

27-ii-R2
’s Morgens worden we heel vroeg gewekt. Mahakrishna en Shivanesh staan al te wachten met een hele processie om naar de Barrows te gaan voor de begrafenis van Gezeri. Het huwelijk van Gwan en Adèle kan daar wel net buiten de vlakte met de grafheuvels.
Om half acht ’s avonds komen we aan. Uit de nauwe toegang komen rookwolken. We gaan scouten: voorbij de ingang zien we een rode gloed van lava en de wolken zijn hetzelfde groen-gele gifgas als wat er uit de gangen onder Shantitown kwam. Voorbij de bergen lost het snel op, maar de vlakte binnen de rand bergen is er mee gevuld. De Barrows zijn weer bewoond door Weavers, en het is de tegenpool van Sorceror’s Well, waar nu de Abyssals wonen. De verbindingstunnels lopen dwars onder Bronwë door. Mahakrishna ontsteekt in woede: “Broertje, jij hebt serieuze vijanden! Deze abominatie van onze voorouders kan ik niet tolereren.” Hij biedt zoveel hulp aan aan als we nodig hebben. Risha denkt dat er sorcerers nodig zijn om dit op te lossen. We komen er op uit dat we die uit Geb nodig hebben. Mahakrishna vindt dat we dit ook aan het buurland Sesklo moeten tonen en aan de Noordelijke Liga.
Maar dit alles houdt de feestelijkheden niet tegen. Rechts van het pad wordt het huwelijkspaviljoen opgericht en links komt de grafheuvel van Gezeri. De nacht verstrijkt…

28-ii-R2
De twee koningen gaan met het hele gevolg naar de Soulfields om eer te bewijzen aan de overledenen van Shantitown. De reis duurt een paar dagen.

1-iii-R2
Het is half zes in de avond als we aankomen bij het kamp van Zack. Alles is perfect georganiseerd. Er is een ommuurde necropolis aangelegd rondom de tombe van de Soulfield koning en koningin Patrick en Moira. De drassige grond is met kanaaltjes gedraineerd en de overledenen liggen in ‘wijken’ naar etniciteit gesorteerd. Er zijn veel lagere brahmanen in het kamp die hebben geholpen. Risha eert Zack en de brahmanen voor hun inzet. Hij benoemt Zack tot burgemeester van Shanti. Gwan vertrekt incognito op huwelijksreis naar Archet.

Xp 3

Tanais 56

23-ii-R2 lunch in het zomerpaleis.

De bediening zegt dat er mensen zijn voor de audiëntie van kwart over een. Er komen eerst twee brutale goblins. “Wij hebben nagedacht. De macht grijpen in Targon lijkt ons een aantrekkelijk idee, maar daar hebben we twintig sterke mannen voor nodig.” Chang geeft ze een sergeant en negentien soldaten mee. Daarna komt Malice. Hij zegt: “Ik heb goed geluisterd naar uw aanwijzingen. Ik wil op de vijfentwintigste met de godheid naar buiten treden.” Risha belooft dat hij er zal zijn om zich te manifesteren.
Dan is het tijd om met koning Mahakrishna te gaan praten. Om drie uur arriveren we. De wacht laat ons onmiddellijk door. Mahakrishna zit gelukkig niet op de troon, maar ontvangt ons in een zijkamer. Risha stelt Chang en Gwan voor, en zijn broer introduceert hun tegenhangers: één van zijn generaals, Mahamutri, en handelsminister Kanesh Qart. Neef Gezeri, de ambassadeur, zit er ook bij, maar voor spek en bonen. Mahamutri benadrukt dat dit een informeel overleg is. “Jullie hebben wat last van relletjes. Laat dat niet onbestraft!” Daarna komt hij ter zake. Financieel kan hij niet helpen. Maar hij wil wel een bondgenootschap van shintasta landen. Hij wil een vrijhandel en brengt een oplossing voor ons probleem met Eenoog: hij kan vijfduizend soldaten leveren met generaal Mahamutri. Hij stelt dat Risha en hij uiteindelijk van hetzelfde bloed zijn, en het valt hem enorm van zijn broertje mee dat die een eigen land heeft weten te verwerven. Hij stelt de stad Tinder voor als grens tussen zijn gebied en dat van Risha. “Zie je wel, er is niets om bang voor te zijn.” Hij waarschuwt ons nog even dat we voorzichtig moeten zijn met de goden, ze verwachten veel en leveren weinig.
Dan spreekt hij Gwan aan. “Gwan, je kan toegelaten worden als shintasta.” Dat is een grote eer, Gwan wil wel, maar hij heeft ook wel bedenkingen. “Het kan geregeld worden. Je kunt de juiste inwijding krijgen, in stilte, en dan wacht je een grootse toekomst. En jullie moeten een keer langskomen voor een tegenbezoek, als Eenoog verslagen is.”
Daarna wordt het gesprek meer ontspannen. Risha is blij dat het is bijgelegd. We hebben het even over de lunars. Mahakrishna adiseert ze te vriend te houden, maar vindt het geen aangenaam volk.
Het wordt een feestje. Mahakrishna vertelt over het spijbelen van Risha en hoe hun vader het opvoeden uiteindelijk maar heeft opgegeven. Chang speelt Go met Mahamutri en merkt dat hij een goede observator is en scherp, bedachtzaam, resoluut speelt. Gwan gaat zuipen met Kanesh Qart. Deze maakt zich zorgen: “Het schijnt dat jullie blut zijn. Wat is jullie businessplan?” Hij wil wel uitleg geven over de grote geldstromen en de karavanen. De grensrivier tussen Erebor en Soul is ideaal als route, maar op dit moment te onveilig omdat de Eenoogsekte het woud aan onze kant in handen heeft. 
Om negen uur is Risha’s afspraak met Oaken. Hij loopt door de brahmanenstad en ziet dat ze als mieren bezig zijn met bouwen, poetsen en bakstenen tellen. Risha kan zich slecht concentreren door de herrie, maar uiteindelijk lukt het hem om contact te leggen met zijn godheid. “Zo kleintje, ben je daar weer? Zorg je wel goed voor je brahmanen? Het schijnt dat Claude in dienst van Pashupati treedt. Pashu is wel in voor een geintje en heeft hem een voorstel gedaan. Maar Claude nam het serieus en ziet het wel zitten.” Risha heeft geen idee waar het over gaat. Oaken verduidelijkt: “Ik stel jou er persoonlijk verantwoordelijk voor: er wordt géén 90% van de brahmanen uitgemoord! Verandering moet langzaam! Stop hem! Pashupati mag zeggen ‘ga moorden’ maar ik ben het daar niet mee eens.” Risha is helemaal overdonderd. Hij heeft zich altijd al afvraagd wat de rol van de brahmanen eigenlijk is.
“Zij voorzien ons van voedsel. Ghee is ons eten. De rituelen, het aantal bakstenen en de incantaties zijn de bereiding daarvan. Je bent nu nog jong, maar je zult vanzelf merken dat het uitmaakt als het eten goed klaargemaakt is. Er is geen hoger doel dan de goden dienen en daarvoor zijn de brahmanen. De ganjarokers zijn Pashupati-aanhangers. Die doen het op hun manier.” Risha weet de god er van te overtuigen dat het nuttig is dat brahmanen zich ook behulpzaam opstellen om de mensen aan de goden te binden. Hij krijgt de vliegspreuk als hij een correct offer brengt met 1471 bakstenen. “Vraag maar aan de hoofdbrahmaan hoe en met welke gezangen.” 
Intussen is Chang ook de priesterstad ingegaan. Hij gaat naar Shri Sahib Kanesh Gi (het jongetje met het paardehoofd). Die slaapt. Er zitten wat Soulfielders op de achtergrond eer te bewijzen. Een brahmaan zegt dat ze zo kunnen zien hoe het moet… Chang ziet dat er veel huizen op orde worden gebracht, maar van de bankgebouwen blijven ze af. Er staan veel koeien in de ene wei, en één stier in de andere. Hij vraagt naar Sandra of Florence. Sandra komt. “Leuk dat we weer terug zijn.” De Farfields vond ze maar niks. Ze zijn van plan te blijven. Brahmaan zijn is leuk, maar de paarden van het magische bos zijn leuker. Er is wel een kritiek punt: als de kwaliteit van het bos te laag wordt, sterft het. Shanti moet er weg. Het bos is Weird (waar magie vandaan komt) en dat is beter dan Wyld (chaos). Hobbits en dwergen hebben met de Weird te maken, maar kunnen ervan vervreemden als ze te enthousiast worden, en in grote steden geld gaan maken in plaats van mooie dingen. Hobbits zijn daar beter tegen bestand dan dwergen. In de loop van het gesprek geeft Chang toe dat hij de vulkaan van de dwergen heeft gesloopt. Ze dacht al zoiets, en vraagt of hij Shantitown kan slopen. In ieder geval moet de honderd meter woonwijk verdwijnen, die nu staat waar vroeger bos was. Dat is wat het afgelopen half jaar opgefikt, gesprokkeld en omgehakt is. Ze stelt dat heer Arend in zijn eentje verantwoordelijk is voor Shantitown. “Balen van Chantal. Hebben we als vrouwen een goede vriendschap, vindt ze een man …” 
Het gesprek komt op de verschillende soorten magische wezens. Ze somt op: “Siderials, Lunars, Solars, Abyssals, Weavers, …” Chang onderbreekt haar: “Weavers? Wat zijn dat” De eerste vier kent hij, die hadden ieder een stad, maar de vijfde stad was van Dragonblooded. “Metafysica daar ben je echt slecht in hè? Weavers zijn het volk van Eenoog. Ik bedoel niet zijn mensen. Dat zijn sukkels. Het schijnt dat er negen rassen zijn waar jullie er één zijn, en negen waar jullie niet toe behoren. Uit de schittering van het kristal komen jullie voort, twee maal negen zowel duister als licht, net uit fase met elkaar. De goden behoren tot het andere negental en daarom begrijpen jullie elkaar ook niet. Jullie zijn als kat en hond, elkaars concurrenten. (Een voorbeeld van de duistere kant: Claude en Pashupati zijn gevaarlijk gek.) Momenteel hebben de goden meer macht dan jullie, dus als je een schijn van kans wilt hebben, houd je daar rekening mee. En ze zijn bang voor jullie. In jullie strijd tegen Eenoog moet je vooral uitkijken voor Saman, de god van het vuur van de onderwereld. Chang vraagt nog over het toelaten van Soulfielders tot de brahmaanse riten, maar dar heeft ze geen mening over. “Daar gaat Shivanesh over, niet wij.” 
Gwan kijkt nog even bij de stallen die worden gebouwd. De werklui zijn matig tevreden. Ze zijn blij dat ze hierna nog een opdracht hebben, maar bordelen bouwen is minder leuk dan arena’s. Hij overlegt nog even met Kanesh Qart en gaat dan slapen.

24-ii-R2

Om half vijf worden we gewekt, er is iets belangrijks gebeurd. De majordomo wacht op ons: “Er staan vluchtelingen uit Shantitown aan de poort, met een vaag verhaal over gifgas.” Risha zegt: “Laat ze binnen.” Even later stroomt er een hoestende, strompelende menigte het plein op. Risha haalt Kadier, Chang laat de brahmanen waarschuwen, Gwan hoort de overlevenden uit. “Groen … chloor … zwavelgas steeg op uit de grond … veel doden … op de daken ben je veilig, maar hoe lang nog?” Chang kijkt vanaf de stadsmuur naar het bos. Een licht briesje blaast het gifgas inderdaad de verkeerde kant op. 
Een Maluchan monnik werp zich op als genezer. Zack, een van de volgelingen van Risha, stelt zich op als leider van Shanti en zorgt met zijn bende dat er geen paniek uitbreekt. De brahmanen komen en laten zien dat ze wel degelijk compassie hebben. Er wordt een veldhospitaal ingericht. 
Chang kan ons voor drie uur vrijwaren van de gevolgen van het gifgas. We gaan door de groene walmen richting het hoerenkot.  Er zijn veel lijken in de stad. Op de daken zitten mensen. We waarschuwen ze om daar te blijven. Voor ons klinkt een luid gerommel. Rook van puin: een instorting verderop in de stad. Een hittefront, branderige rook. Bij de voormalige hoerenkast is een gat in de grond dichtgesmolten. Gezeri ligt daar dood. Op het grote plein waar Risha de demonstranten had toegesproken is ook een dichtgesmolten inzakking. Er komt geen nieuw gas meer, maar er liggen hier wel heel veel lijken. Het is het ‘afscheidscadeautje’ van de Shuragi (de groene hive-mind-communication-hub van de onderwereld). Chang ziet dat de groengele smurrie niet tegen gewone lucht kan en zichzelf oplost. Risha neemt het lichaam van zijn neef in de armen en keert bedroefd terug naar de hogere stad. Chang en Gwan gaan nog wat mensen redden van gebouwen die op instorten staan. 

Duizend mensen hebben de bovenstad gehaald en tweeduizend zitten er op de daken. Er zijn er dus drieduizend gered, maar zevenduizend mensen zijn dood! Als de gaswolken verdwenen zijn, wordt de identificatie geregeld. De komende twee dagen staan in het teken van massale uitvaarten. De Soulfielders verbranden hun lijken op de Soulfield-manier, de Shintasta’s verbranden hun overledenen volgens de shintastatraditie. Risha en Mahakrishna vragen de brahmanen om een tombe voor hun neef. Ze zullen een grafheuvel opwerpen in de Shintasta Barrows en Gezeri daar overeenkomstig zijn rang in bijzetten.

In de ochtend bereikt het gifgas het heilige bos. De magische paarden slaan op hol. Sandra en Florence schieten te hulp. Er ontstaat een baan van Weird in de lucht waar de paarden overheen rennen. “We komen terug. Wij moeten de stampede tot stilstand brengen. Het heilige woud moet besproeid worden met héél véél Bronwë water!”