Necronomicon for Dummies van Erica Henderson
Bellen blazen
Boomnimf
Met dank aan Reinoud.
Bezeten
Twee jongens en een meisje vinden zichzelf terug op de kermis in Leiden. Gebeurt alles nu weer opnieuw? Ab gaat op de uitkijk staan en de andere twee rennen snel naar de plek achter de frietkraam waar ze eerder het blonde meisje met de rare halsband hebben gevonden. Maar die komt niet. En waar is Kees eigenlijk? Er klopt wel meer niet. Mio ziet iemand voor de derde keer in hetzelfde botsautootje stappen en Ab ziet een vrouw over de kermis lopen met een paraplu voor haar uit, alsof ze tegen een regenstorm inloopt. Dat is raar. Het motregent wel een beetje, maar het waait niet.
Ab gaat naar de anderen en vertelt wat hij heeft gezien. De kinderen hebben het idee dat er wat mis is. Ab voelt eens aan de straat. Die is kletsnat! Dan doen de drie kinderen hun ogen dicht en tasten eens om zich heen. Ab reikt naar de frietkraam – en die staat er niet!! En opeens knapt de illusie: hij ziet dat hij midden op straat staat, het is donker en het plenst van de regen. Er is iets verschrikkelijks gebeurd, iets waar zijn geest zich meteen voor afsluit. Hij vouwt zijn armen om zijn hoofd en valt katatonisch op de grond. Suzette overkomt hetzelfde en ze gaat hysterisch gillen. Maar Mio heeft de illusie niet door. Hij ziet de andere twee gek worden. Schudden en aanspreken helpt niet. De mensen op de kermis negeren hem als hij ze aanklampt. Op een na, een man in een regenjas die haast heeft en de trein wil halen. Na nog meer schudden komt Suzette bij. Ze geeft Ab een harde schop en na nog wat schudden en praten komt hij ook bij. Mio is inmiddels wel overtuigt dat wat hij ziet niet echt is (hij heeft de man inmiddels al zeker acht keer in het botsautootje zien instappen), maar hij blijft de kermis zien. Een marokkaanse jongen weet Ab te vertellen dat het 7 oktober is. Dat geeft de doorslag, we zijn vier dagen kwijt! Mio doet nog een poging om door de illusie heen te kijken en uiteindelijk lukt het hem ook om de werkelijkheid te zien. Ook Miorealiseert zich dat er iets vreselijks gebeurd moet zijn en hij krijgteen vreselijke woede aanval. Als hij uitgeraast is, gaan ze een patatjeeten in de McDonalds, die bijna sluit. Wat nu? Naar huis! Maar wat vertellen we thuis? Ab denkt dat het allemaal wel zal meevallen, een draai om z’n oren misschien. Mio denkt dat hij wel een weekje huisarrrest zal krijgen en Suzette maakt zich nog het meeste zorgen. Ze gaat liever met Mio mee en dan kunnen zijn ouders de hare bellen. Zo gezegd, zo gedaan.
Ab krijgt thuis de wind van voren van zijn oudere zus. Mamma is heel bezorgd geweest en die gaat meteen eten voor hem koken. Zus denkt dat hij met verkeerde vrienden omgaat en aan de drugs is. Hij krijgt nog een laatste kans van haar en daarom heeft ze mamma overgehaald om niet naar de politie te gaan. Maar je bent gewaarschuwd! Ab gaat opgelucht naar bed en valt in slaap.
Mio en Suzette komen aan bij Mio’s ouders. Zijn ouders zijn dolblij dat hij terug is. De doorweekte kleren gaan uit en er worden meteen warme pyama’s voor de twee gehaald. Mio heeft ook een oudere zus, die warme chocoladesojamelk voor ze maakt. Zijn moeder bemoedert de kinderen en vader belt de politie om te melden dat hun zoontje weer terecht is. Al snel staan er twee agenten voor de deur. Als blijkt dat Suzette ook als vermist was opgegeven worden haar ouders ook gewaarschuwd. De kinderen vertellen dat ze zich niets kunnen herinneren van de afgelopen drie dagen. Ze worden meegenomen naar het ziekenhuis voor onderzoek, de kleren gaan in aparte zakken voor de forensische afdeling. In het hospitaal worden de twee apart onderzocht. Het blijkt dat de kinderen blauwe plekken hebben en allebei hebben ze een vreemd litteken op de borst: een golvende lijn die van de linkertepel omlaag loopt. De korst laat al bijna los, dus de verwonding moet vrij oud zijn, zeker van voor de verdwijning. Maar er zijn geen tekenen van sexueel misbruik.
Suzette’s ouders zijn vreselijk. Het lijkt nauwelijks tot ze door te dringen dat hun dochter misschien iets akeligs is overkomen. Vader belt continu met zijn mobiele telefoon en moeder is vooral met zichzelf bezig: "Oh god wat erg! Is ze misbruikt? Dat mij dat weer moet overkomen!" Een bezoek aan de psychiater morgen lijkt Suzettes moeder een goed idee, "dan wordt het tenminste vergoed door de verzekering en kan het kind eindelijk eens in therapie." Mio’s moeder is daarentegen als een moederkloek, warm en liefhebbend, en een bezoek aan de psychiater lijkt haar niet nodig, een homeopaat lijkt haar beter. Maar ze belooft om Mio toch maar de volgende dag te brengen. En dan gaat iedereen naar huis. De kinderen worden in bed gelegd.
Die nacht slapen ze allemaal slecht! Ze hebben vreselijke nachtmerries over uiteengereten lichamen, gruwelijke monsters en afschuwelijke rampen. Midden in de nacht schrikken ze alle drie wakker. Mio kruipt bij zijn ouders in bed, Suzette zoekt in haar moeders medicijnkast naar een slaappil en Ab doet het licht aan en probeert weer in te slapen.
Ab gaat de volgende dag gewoon naar school. De meester vraagt of hij ziek was en hij zegt maar ja. In de pauze belt hij de bejaarde mevrouw waar hij altijd boodschappen voor doet. Hij biedt zijn excuses aan en spreekt af die middag langs te komen. Mio en Suzette hebben vrij want ze moeten nog naar de psychiater. ’s Ochtends bouwt Mio verder aan zijn boomhut. Suzette’s moeder moet naar de tennisclub of zoiets en geeft de poolse werkster opdracht het kind naar het ziekenhuis te brengen. Het bezoek aan de zielknijper verloopt niet zo soepel. De kinderen vertellen niets over Ot en Celestine. Mio weet hem wel te overtuigen dat hij zich niks kan herinneren en suggereert dat iemand misschien iets in zijn cola heeft gedaan. Maar bij het verhaal van Suzette heeft de dokter nog een aantal vraagtekens. Uiteindelijk mogen ze weg. Suzette zegt tegen de werkster dat ze met Mio meegaat om haar fiets op te halen en de werkster vindt het allang best. Bij hem thuis bellen ze Ab en Kees. Kees neemt niet op, maar met Ab spreken ze na school af bij de Morspoort.
Dan gaan ze op zoek naar de fiets van Mio. Bij het museum bekruipt hun allebei een heel ongemakkelijk gevoel, heel akelig. Toch klautert Mio over het hek. Na even zoeken vindt hij in de struiken de bronzen pijl die hij uit Ot’s borst had gewrikt. Dat is het definitieve bewijs dat het allemaal geen hallucinaties waren geweest. Een tijdje later arriveert Ab. Krijgsberaad. Ze vergelijken hun dromen en ze komen er achter dat zealledrie hetzelfde litteken hebben. Het is allemaal wel heel vreemd. Ab beslist dat hij een fiets nodig heeft. De fietsenjunk heeft natuurlijk geen kinderfiets, maar kan hem er over een paar uur welk eentje leveren. Ze gaan op zoek naar de boot van Ot, maar die ligt er niet meer en het is ook niet te achterhalen waar die is gebleven. In het Ankerpark vinden we wel de oude zwerver Hieronymus. Hij is niet geheel aanspreekbaar, maar hij heeft twee lucide momenten. "Vindt de blonde engel voor het te laat is! Ze mag niet in verkeerde handen vallen!" en " Hoed je voor de poorten, maar door de poorten moet je gaan." Als duidelijk is dat er verder niets zinnigs meer uitkomt, gaan de kinderen de bestelde fiets ophalen en daarna gaan Mio en Suzette naar huis en
Ab gaat bij zijn mevrouw Winckelman langs voor de boodschappen. Aan de muur valt hem een schilderijtje op van een engel en mensen die uit de grond omhoog
komen. Hij is moslim en herkent het tafereel niet, maar het spreekt hem wel aan. Als hij er naar vraagt, legt mw. Winckelman uit over de opstanding en het laatste oordeel.
Die avond gaan ze allemaal vroeg naar bed en als de drie weer slapen, komen de nachtmerries weer terug. Nog erger dan de vorige keer. En weer schrikken de kinderen midden in de nacht wakker. Maar ditmaal proberen ze door te slapen. Terwijl het kinderlijke bewustzijn zich ontspant, blijkt bij alledrie een nieuwe aanwezigheid wakker te worden.
Bilifor, heer van Glorie, engel van de lentebloesem ontwaakt. Wat is het fijn om weer een lichaam te hebben! Hij gaat rechtop zitten, inspecteert zichzelf en ziet dat het een sterk, lenig en gezond lijfje is. Hij verbaast zich er helemaal niet over dat het een kind is. Hij kijkt eens rond, doet het raam open en gaat in de dakgoot zitten. Wat een prachtige nacht! Hij gaat staan, vouwt zijn vleugels open en wil zich voorover laten vallen.
"NEE!!!"
Een paniekerige kinderstem schreeuwt "Niet doen!" en even later "Wie ben jij en hoe kom je in mijn hoofd ?" De engel denkt eens na. Dat weet hij eigenlijk niet. "Ik ben Bilifor en ik weet niet hoe ik in je hoofd kom." "Ben ik nu bezeten?" "Zo kun je dat inderdaad wel noemen." "Maar dat wil ik helemaal niet! Ga weg!" "Dat zal niet gaan. Ik ben er nu en ik blijf." "Ja, maar wat moet er dan met mij? Het is mijn lijf! Je gaat me toch niet opeten, he?" Daar schrikt de engel heel erg van. Waarom weet hij niet, maar dat woord ‘opeten’, dat is helemaal fout! "Nee! Dat nooit!" Daardoor kalmeert het jongetje en ze raken met elkaar in gesprek.
"Zeg eens," zegt het kind, "als jij niet weet hoe jij in mijn lichaam komt, en ik mis vier dagen van mijn leven, dan hebben we allebei een probleem. Zullen we dat samen gaan uitzoeken?" De engel hoeft hierover niet na te denken en antwoordt: "Waar zullen we beginnen?" Zonder dat ze het hardop uitspreken, wordt er op dat moment een verbond gesloten tussen de engel en het kind, en het initiatief daarvoor is van het kind uitgegaan. Mio, want dat is het kind, vertelt dat hij niet de enige is die vier dagen kwijt is en een raar litteken heeft. Bilifor stelt voor de anderen eens op te zoeken.
Nog in pyama springt de kind-engel uit het raam en landt veilig naast zijn fietsje. Hij trapt stevig door en slaat tegelijk met zijn vleugels zodat hij met enorme snelheid door de uitgestorven straten race’t. Hij passeert een taxi, die daardoor tegen een boom knalt. Bij het huis van Suzette, in de merenwijk, ziet hij een vreemd schijnsel uit het raam komen. "Suzette" roept hij. Een glorieuze gestalte, een meisje gehuld in gouden vlammen, reageert en komt naar buiten. "Ben jij ook al … ?" Ja, ook Suzette is bezocht door een engel.
Mio neemt haar achterop de fiets en samen racen ze naar de Hoflaan, waar Ab woont. Mio klimt in de lantaarpaal en gooit een steentje tegen Ab’s raam. Die reageert meteen. Hij heeft ze al aan voelen komen.
Ab is ook veranderd. Zijn engel is van glinsterend zilver, het doet ze een beetje aan Terminator 2 denken. Snel komt hij naar buiten. Het is maar goed dat de Hoflaan om drie uur ’s nachts uitgestorven is, want drie engelen op een straathoek, dat ziet er wel heel opzienbarend uit!
Voor Willem
Vrede in Nepal
Vandaag zijn een grote groep Nepalese maoisten geinaugureerd als leden van het parlement!
Ik voel op zich geen enkele sympathie met de maoistische idealen en ik zie gewapende strijd als de minst efficiente manier om je zin te krijgen. Nog afgezien van de morele implicaties. Maar dit is een grote dag! Eindelijk is er vrede in dat mooie land.
Nu maar zien of ze het volhouden om op democratische manier hun idealen aan compromissen te onderwerpen.
In memoriam Momofuku Ando
Sessie tien
De volgende ochtend wordt het gezelschap gewekt met de geur van koffie en versgebakken brood. We moeten kleren kopen en spreken onze ‘cover’ af. Ster ziet er te jong uit om als kenner van 1st age technologie door te kunnen gaan, dus we maken er ‘de zoon van een verzamelaar’ van. Silverclaw en Ma Si Tamuz gaan als huurlingen c.q. bodyguards. De rest zijn handelaren en Oeal blijft op de kamer. Hij wil een dagje in bad blijven. Sluiers legt nog wat meer van de stad uit. Ze vertelt over de verschillende districten van artiesten, arbeiders en handelaren en over de grote bazaar en over de rijke handelshuizen rond het Kremmel. We willen een paar bibliotheken bezoeken en Raine wil op zoek naar zijn vader. Na de inkopen splitsen we op.
Ster en Sluiers gaan naar de grote bibliotheek. Dat is inderdaad een enorm gebouw vol met boeken. Maar het blijkt al snel dat er nogal wat onderwerpen ontbreken. Boeken die wel in de catalogus staan, maar permanent uitgeleend zijn of gewoon niet op hun plek staan. Er is niets e vinden over Solars, Lunars of andere exalts, weinig tot niets over de 1st age, geen verwijzingen naar dragon kings, mountain folk en dergelijke. Pas na lang zoeken vindt Ster een groot boek met sagen en legenden, waarin gesproken wordt over een volk dat, nog voor de schepping van de mens, door een primordial uit steen en klei was geboetseerd. Ze zouden geleefd hebben in grote gebergten zoals de Oeral en de Himalaya. En meer is er echt niet te vinden. Daarna gaan ze met zijn tweeen ergens lunchen en drinken. Ster wil na een aantal glazen zijn hand op haar knie leggen, maar daar is geen sprake van. Blijf maar fantaseren Ster, want wat er op dit plaatje staat, gaat voorlopig niet gebeuren ^_^ Geef haar eerst maar eens een bosje bloemen of een mooi sieraad.
Ondertussen wandelt Ma Si naar het Oostelijke park, waar het garnizoen oefent. Het kost een beetje moeite, maar het lukt haar om binnen te komen en de militaire basis te betreden. Daar, in de bibliotheek, zijn wel boeken over exalts te vinden. Met name over hoe je ze moet verslaan. En de manier waarop, dat verbaast haar nog het meest. Er staat namelijk dat een directe aanval niet kan. Een paar exalts kunnen een heel leger stervelingen aan. Maar laster, sociale isolatie, uitkopen, dat zijn de wapens. Zorg dat mensen ze wantrouwen en niets meer met ze te maken willen hebben. Zorg dat hun zakendeals mislukken, dat ze arm worden. Zorg er voor dat ze gezien worden als dieven, moordenaars, weerwolven en de schuld krijgen van alles wat er mis gaat.
Inmiddels lopen Raine en Dyjab stad en land af op zoek naar Raine’s vader Luigi. Wat weten ze van hem? Hij is kok, hij had in Italie een restaurantje en hij woont al een jaar of tien in Mos Kovia. Nou dat is een stad met meer dan een miljoen inwoners, dus hoe moeilijk kan het zijn? Het is alsof je een speld in de verkeerde hooiberg zoekt.Dus, na in de italiaanse buurt in vele cafeetjes en restaurantjes te hebben gegeten en gedronken, zijn ze tussen de middag nog geen meter opgeschoten.
Silverclaw loopt naar de bazaar. Die is behoorlijk ver verwijderd van het centrum van de stad, zeker tien kilometer. De buitenste delen van de bazaar zijn redelijk toeristisch. Tientallen stalletjes verkopen dezelfde ‘zeldzame’ dingen. Maar naarmate hij verder doordringt in de wirwar van straatjes en steegjes, onder gekleurde doeken en over verschoten tapijten, wordt de handelswaar bizar. Er zijn gefrituurde spinnewebben uit de deadlands, zeldzame specerijen uit het Zuiden, benen wapens uit het hoge Noorden, een barbaar verkoopt hele elandbouten. Kijk, dat is lekker. Silverclaw koopt er eentje en raakt al knauwend met de verkoper in gesprek. Die verwijst hem naar een handelaar die namens een lunar tribe werkt. De man is blij om hier in de stad een andere lunar te ontmoeten, en hij vertelt dat er geruchten zijn over een zekere Vars Truba, een wood aspected dragonblooded die hier in de riolen in een oude tombe woont, een boomhut onder de grond. Heel vreemd verhaal. Of ze nou dood is of niet is niet helemaal duidelijk. In ieder geval is de tombe nog intact. Het zou de moeite waard zijn om er eens een kijkje te nemen.
Dyjab en Raine gaan het maar eens wat hogerop proberen. Er is ook nog een zeer sjiek italiaans restaurant bij het Kremmel. Op weg daarheen valt op dat de straatkinderen een nieuw spel hebben "Vang het groene monster." Er schijnt een groen monster uit een rioolput omhoog gekropen te zijn. Ze maken zich dus zorgen over wat oeal heeft uitgehaald. De kans dat er twee groene monsters in een stad rondlopen is marginaal, toch? Als ze een zwerver aanspreken, die het beest met eigen ogen heeft gezien leren ze om welk putdeksel het om ging. Slecht nieuws, er wonen dieven in de riolen en die jagen nu op het beest. Ook vertelt de zwerver dat er rioolwolven zijn. Nou, dat maakt de man meteen een stuk minder geloofwaardig en de twee lopen snel verder. Uiteindelijk komen ze bij het deftige etablissement aan. Beet! Er heeft inderdaad een hele goede kok in de keuken gestaan die Luigi heette. Hij heeft jarenlang gespaard, en is nu een eigen restaurant begonnen. Ze weten zelfs te vertelen waar. En ja hoor, daar ruikt Raine een bekende geur! Er staat een oude man te koken. Zijn haar is een stuk grijzer dan Raine zich herinnerde, maar het is hem! Ze vallen mekaar in de armen. "Papa!" "Pepe!" Er vloeien tranen van vreugde, er wordt een fles wijn opengetrokken, Dyjab staat er een beetje vergeten bij.
Na de lunch stelt Ster aan Sluiers voor om eens aan de ‘cover’ te werken. 1st Age technologie? Jaha. Dan moet je aan het rode plein zijn, bij dat hele dure handelshuis met die smalle ramen en die dikke tralies. Dit is het centrale plein van de stad. Het is geplaveid met rode bakstenen en er staat een krankzinnig huis met uien op dikke torens. Aan het plein zijn veel banken en juweliers gevestigd. Het gezochte handelshuis is snel gevonden en de twee worden verwelkomd door een man in een livrei. Glazen vitrines met artefacten, gedempt licht, een potige dame die ze te woord staat. Ster stelt zich voor als zoon van een verzamelaar van antiek. Om te tonen wat voor soort dingen hij zoekt, laat hij zijn dragon sigh wand zien, een vuurwapen van rode jade en orichalcum. "Het is natuurlijk maar een replica, maar hij werkt wel." Ze bekijkt het ding met een kritisch en deskundig oog. Dan weet de dame welke prijscategorie ongeveer geindiceerd is. Uit de vele fantastische voorwerpen kiest hij er twee uit, een antiek masker waarmee je iedere gewenste gedaante aan kunt nemen, en een paar armstukken met stalen klauwen die van een Lunar zijn geweest die onlangs op het marktplein is terecht gesteld. De prijs is niet mis en het lukt Ster ook niet om er wat van af te onderhandelen. "Ik zal hierover ruggespraak moeten plegen" zegt hij. De dame kijkt hem schattend aan. Hoe groot is de kans dat deze jongen zoveel geld op tafel kan leggen? "Ik zal ze drie dagen voor je reserveren." Ze gaan terug naar de herberg en kijken hoeveel geld Ster eigenlijk bij zich heeft. Het is een flinke zak edelstenen die hij uit Autochthon heeft meegekregen, hij is tenslotte een exalt van rang 4 en zo iemand kan heel wat budget vrijmaken. Maar deze aanschaf gaat hem toch het grootste deel van zijn geld kosten. "In naam van de Maker, het moet maar. Ik doe het." Hij pakt de zak edelstenen en gaat weer terug naar de handelares.
Even later is de jonge exalt twee handschoenen met scheermesscherpe klauwen en een ivoren masker rijker, e
n een jaarsalaris armer. Na de aanschaf wachten de twee in de herberg op de terugkeer van de anderen.
Als iedereen bijeen is, kondigt Raine het blije nieuws aan en iedereen is uitgenodigd voor de maaltijd bij Luigi. Het eten is heerlijk (behalve de gravad lachs die Silverclaw op de bazaar heeft gekocht). Ma Si bekijkt de klauwen. "Ja, die zijn van een lunar geweest. Kijk aan die tekens zie je van welke stam hij was. Mooie buit, wees ze waard." Oeal ontkent dat hij buiten is geweest, misschien is er toch een tweede groen monster in de stad. Luigi weet ook wat legenden van de stad te vertellen. Het dievengilde woont in de riolen. Maar dat is niet het enige gevaar daar beneden. Hij verhaalt van de fluisterende rioolwolven met groen oplichtende tanden die nevelsliertenuitademen en als die je bijten, verander je de volgende ochtend in eenzombie. Hij vertelt over wurglianan die een afgesloten stadswijk hebben overgenomen. En over de vuurvliegen die de wurglianen opeten. Het wordt laat, Ster flirt vergeefs met Sluiers , Luigi wordt dronken.
Om middernacht gaan we mild aangeschoten op zoek naar het betreffende putdeksel. Daar komen nevelslierten uit omhoog. Natuurlijk gaan we op onderzoek uit. Tot de enkels in de derrie. Op de wanden worden heel recente signalen en tekens gevonden die er op duiden dat hier inderdaad een dragonking rondloopt. Als we de signalen volgen, vindt Raine heel andere, geheimere tekens, een dievencode. Hij besluit hierover niets aan de anderen te vertellen. Ma Si ziet de tekens ook en ze heeft door dat Raine die geheim wil houden. Het levert hem een boze blik op, maar ze respecteert zijn besluit.
Dyjab loopt achteraan. Iets zwaars landt bovenop hem, hij voelt een scheurende pijn in zijn rug. Iets heeft hem gebeten. Het is een rioolwolf, ze zijn echt! Het zijn er zelfs een heleboel! Een gevecht is onvermijdelijk.
Ster probeert meteen zijn nieuwe klauwen uit. De wolven stralen essence uit. Ze zijn magisch, geluidloos, intelligent en zewerken samen. Er is alleen een zacht gefluister op het moment dat zeaanvallen. Als ze doodgaan, vervliegen ze tot mist. Voordat de monsters zijn verslagen wordt Ster ook gebeten. "Dat leken wel stoomgolems," zegt hij achteraf. "We hebben de wolven van Mos Kovia overleefd, maar als zij echt bestaan, heeft dan hun beet ook het effect uit de legende? Dan hebben Dyjab en ik een probleem."
Plots horen we een stem: "Waarom loopt zo’n grote groep avonturiers door de riolen? Dat is niet zo slim. Wij zien jullie, maar jullie zien ons niet. We geven jullie 1 kans. Leg je spullen af, ga weer omhoog en kom nooit meer terug. Dan laten we jullie leven." Als de groep hier niet meteen op reageert, voelen Raine en Ma Si dat er een charm gedaan wordt. Er volgt een zacht gevloek. "Verdomme, allemaal exalts! Ok, loop maar door." Iets verderop komen we in een enorme ondergrondse zaal waar water naar beneden stort. In de schaduwen staat een persoon in glad, zwart leer. Hij telt hardop, aan de stem te horen is het niet dezelfde als die ons eerder aansprak. "Zeven, het aantal klopt. Ik heb nog nooit zo’n grote groep exiles bij mekaar gezien. OK, dit is ver genoeg. Gelieve niet verder ons domein in te gaan." Hij vertelt ons dat hij werkt voor generaal Tepet Jarald, een air aspect dragonblooded. Jarald heeft jaren geleden een veldtocht tegen Mos Kovia geleid, maar hij heeft verloren en leidt nu het dievengilde in de onderwereld van de stad. (Dyjab heeft wel van hem gehoord. Jarald is na de slag spoorloos verdwenen. Zijn familie heeft door de nederlaag veel eer verloren en er wordt algemeen aangenomen dat hij zelfmoord heeft gepleegd.)De luitenant vertelt dat exalts hier vooral in de riolen wonen, want het is hier relatief veilig. Ja, de rioolwolven zijn gevaarlijk en als je gebeten wordt, rot je vlees van je botten. Als jullie gebeten zijn, heb je echt een genezer nodig. Maar hier onder de grond kun jenog wel kleine charms gebruiken, boven de grond moet je dat echtniet in je hoofd halen. En als wij plannen maken voor een mooie roof of zo, dan lijkt het alsofde wacht onze plannen al van tevoren kent. Boven in de stad verdwijnen exalts soms zomaar. Een paar weken terug zijn er bijvoorbeeld twee lunars in de stad geweest en een van hen heeft in een kroegruzie iemand doodgeslagen. In een steegje verdween hij zomaar op klaarlichte dag en de volgende dag stond hij geketend op het marktplein, waar hij is terechtgesteld. "Vast die van deze klauwen," denkt Ster.
"Maar wat kwamen jullie hier nou eigenlijk doen?" Uit de achtergrond stapt Jarad naar voren. Hij heeft een blonde hanekam, draagt een leren pantser en heeft een blauwe jaden chakram aan zijn riem hangen. "We zoeken een dragonking." "Nou, die is van mij, en jullie bevinden je in mijn domein. Waarom willen jullie het eigenlijk hebben? Ik was eigenlijk van plan het beest aan een kermis te verkopen, maar als jullie me helpen, mag je het wel hebben. Het ding verscheen zomaar in de riolen, en ik wil weten hoe." In de verte horen we gerammel van ketenen. Een paar dieven trekken een kleine slanke dragonking tevoorschijn. Oeal openbaart zich en spreekt het monster in een oeroude taal aan. Ze heet Faxc3xa2n en komt van de drakeneilanden. De eilanden worden momenteel aangevallen door de Lintha, oude gevaarlijke piratenfamilie met lunar banden. En zij is door een sterrenpoort gestuurd op zoek naar hulp. Jarad is onder de indruk van het verhaal. "Goed, ze kan dus teleporteren. Dat is nuttig, daarmee zou ik uit handen van de wacht kunnen blijven. Jullie kunnen haar krijgen als je mij dat leert." "Nou," zegt Ster, "teleporteren is sorcery en ik ben daar nog niet goed genoeg in." We gaan even overleggen.
Om Jarad de werking van een sterrenpoort uit te leggen, dat lijkt ons in eerste instantie geen goed idee. Misschien dat we in latere instantie een contract met hem kunnen sluiten om bijvoorbeeld contrabande via de poort te vervoeren, maar nu nog niet. We weten voorlopig niet voldoende van deze vent en echt sympatiek komt hij niet over. Nochtans, zo iemand kun je beter aan je kant hebben dan als tegenstander. Een teleporteerapparaat, daar kunnen we hem wellicht wel aan helpen. Het plan is dat Ster weer naar de handelaar in 1st age technologie gaat om te kijken of daar iets nuttigs te vinden is, en dan wil Raine er wel inbreken.
Poezenfoto
Hier is een heel mooie foto van Martijn Gizmo. Klik maar op de officiele site: hier staat’ie: de Airport Security Kitten. Enjoy!