GV – Jungle avontuur

Na het avondeten verzamelen de kinderen zich in de speeltuin bij molen de Punt. Alleen Ab is verhinderd, die moet met zijn moeder en zijn zusje naar opa en oma. Deze avond willen ze nog zo’n magische poort door en er is een discussie over welke ze zullen nemen. Er is er eentje in museum De Lakenhal en ze kunnen ook naar de jungle die ze achter het poortgebouw van de hortus botanicus van de universiteit hebben gezien. Uiteindelijk wordt er voor gekozen om naar de hortus te gaan. Die is natuurlijk gesloten, maar via een muurtje aan de achterkant klauteren ze de verlaten tuin in. Het is al donker en onopgemerkt door de wetenschappers die in het laboratorium bezig zijn, sluipen ze naar het poortgebouw.

Kees haalt de kris tevoorschijn en opent met behulp van de geest die daar in gevangen zit de poort.  Fel zonlicht straalt erdoor naar buiten, de geur van vochtige humus dringt naar buiten en de kinderen horen vogels en andere jungle geluiden. JungleVoorzichtig betreden ze de vreemde wereld. Er ligt een diepe laag humus op de grond die de voetstappen dempt. Hoge bomen filteren het licht. Snel wordt de poort weer gesloten, voordat de geleerden doorhebben dat er licht vanuit het poortgebouw schijnt. Mio klimt in een boom om te kijken of er ergens iets te zien is, maar op 20 meter hoogte is het bladerdek heel veel dichter en de boom is niet hoog genoeg, zodat
hij niks ziet. Inmiddels heeft Kees zich op de omgeving geconcentreerd en
hij neemt waar dat er twee bovennatuurlijke wezens in de buurt zijn, vlak bij elkaar. Hij beschrijft ze als een groot rood waas en een klein zilveren licht. Simon maakt een baken, waardoor ze de poort terug  kunnen vinden en verbergt dat onder een boomstronk. Dan gaan ze op stap.

De weg is moeilijk, want er zijn planten die als je er langs loopt zich om je heen proberen te winden en als je je lostrekt, blijven er resten aan je plakken. Al snel hebben de kinderen geen camouflagekleren meer nodig want ze zitten onder de plantenresten. Na een tijdje lopen, struikelt Suzette over een boomstronk. Het lawaai alarmeert het hele bos. Alle geluiden stoppen en het woud raakt doordrongen van een boosaardige ‘aanwezigheid’. Ze hebben het gevoel dat er naar ze gekeken wordt. Voorzichtiger geworden lopen ze terug naar de poort. Er lijkt iets met ze mee te lopen, want vanuit hun ooghoeken zien ze af en toe een schim tussen de struiken. 800pxblue_tigerSuzette, Kees en Simon nemen engelengedaante aan en Kees haalt de kris.Mio is de jongste en hij is niet zo dapper. Hij rent alleen maar hard terug.
En dan opeens springt er met een luide grom een enorme tijger uit het bos.
Hij is blauw! En hij heeft grote klauwen en verspert Kees, die achterop loopt, de weg. Als het beest aanvalt, verstopt Mio zich. Maar Kees verdedigt zich met de kris en Simon, die inmiddels een ijzeren reus geworden is, grijpt het dier vast. Bilifor, de engel in Mio’s lichaam, duwt Mio naar de achtergrond en neemt hem over. Ook hij verandert in engelgedaante. Omdat het dier nu rustig is, denkt hij dat het niet langer gevaarlijk is en wil hij de tijger gaan genezen. Tigris, de engel van Kees, denkt daar heel anders over. Het is een stand-off, de engel des levens heeft zijn hand op het beest en geneest hem terwijl de engel des doods er met een magisch wapen in steekt. Ze kunnen elkaar niet overtuigen dus Suzette/Atlothon hakt de knoop door. "Laat hem  maar gaan." Helaas valt het dier opnieuw aan en dan steekt Tigris opnieuw toe en Bilifor geeft de genadeklap. Dit was het eerste gevecht. Voor de kinderen een angstaanjagende ervaring, maar voor de engelen voelde het strijdgeweld vreemd vertrouwd.

Met meer zelfvertrouwen gaan ze verder. "OK, we kunnen het aan en we gaan toch door, naar de bron." Ook Mio durft weer uit zijn hoekje tevoorschijn te komen. Nog steeds is er een aanwezigheid in het bos en die probeert voor ze uit te komen. Kees voelt dat er in de verte iemand vermoord wordt, precies bij de twee entiteiten waar ze naar op weg zijn. In een vlaag van verstandsverbijstering houden ze even stil en laten het ding komen. Voor hun ogen groeien allerlei jungleplanten bijeen tot een reusachtige gestalte. "Jullie zijn niet welkom hier. Dit is mijn domein, het domein van Muktquatl!" Als Tigris daar een vrij onbeleefd antwoord op geeft, reageert het monster met "Sterf dan!" en het vuurt een saldo giftige stekels op hem af. "Het ding is veel langzamer dan wij", zegt Mio/Bilifor, "we mnketen z’n baas hebben! Verspreiden, omtrekkende beweging en aan de andere kant hergroeperen, OK?" Maar de anderen gaan daar niet op in. Ze hebben de smaak te pakken en er ontstaat een gevecht. Het creatuur wordt uiteindelijk in brand gestoken en Bilifor geneest nog maar eens de verwondingen van zijn vriendjes.

AztectotLangzamerhand gaat het schemeren en dan komen ze bij de rand van het bos. Ze zien een stad van pyramides in een spiegelend meer liggen, met houten loopbruggen er overheen. Vanaf de hoogste pyramide, die met fakkels verlicht is, klinken vlagen van monotoon gezang in een vreemde taal. Quilm, Tigris en Athloton beginnen te transformeren en krijgen demonischeaspecten, en die zien er afgrijselijk uit: de ijzeren reus Quilm wordtnog groter en krijgt overal messen en weerhaken, Tigris krijgt eendoodse aura en alle plantenleven om hem heen sterft af, Athlotonsheldere vlammen worden donker en rokerig en haar ogen gloeien alskolen. Alleen Bilifor blijft een engeltje. Als de engel en de demonen naderbij komen, voelt Tigris dat er weer iemand sterft, bovenop de top van de pyramide. De trappen zijn al rood en er gutst opnieuw een rode vloeistof vanaf. Op dat moment komt been enorm stenen beeld tot leven. Quilm gaat  het beeld tegenhouden terwijl de rest verder gaat naar het gebouw. Bilifor vliegt en de andere twee rennen over de loopbruggen en laten verschroeide voetsporen na op het hout.

De mensen in de stad lijken niet bang voor de drie. Ze hebben juist eerbied voor ze en stralen geloof uit.  Als ze de top van de pyramide  bereiken gaan de mensen eerbiedig uit elkaar, behalve de priester die klaarstaat met zijn stenen offermes. Op het altaar ligt nog zijn laatste slachtoffer.  Mayan_calendar_stargate300xAchter de priester staat een enorme stenen schijf met een gezicht er op. En die stenen schijf ziet Tigris rood stralen van macht. Inmiddels begint de hogepriester ook te transformeren tot een of ander monster. Tigris en Athloton gaan hun derde gevecht aan en maken korte metten met de priester, maar Bilifor richt zich op de steen. Eerst probeert hij hem van de top van de toren te duwen, maar de geest die er in zit is veel te krachtig. Hij wordt teruggesmeten met een paar gruwelijke wonden en een knallende koppijn. Terwijl hij zich bezig houdt met de steen, gaan de andere twee het bouwwerk in. Daar treffen ze een goed ingerichte kamer aan met een gordijn. Achter het gordijn voelt Tigris het zilverwitte lichtje. Als hij het opzij schuift, zien de twee demonische gestalten een klein meisje weggedoken op een bed, dat bang een popje vasthoudt. Een klein meisje met een metalen halsband, Elise! De twee veranderen snel weer in normale mensengedaante en spreken het meisje voorzichtig en geruststellend toe. "Ken je ons nog? Wij waren er bij op de kermis en wij hebben je toen terug naar Ot gebracht, weet je nog?"

Inmidde
ls is Quilm klaar met het stenen beeld. Hij is zwaar gewond, maar dat weerhoudt hem niet om Bilifor te hulp te komen met het slopen van het afgodsbeeld. Gezamenlijk hakken ze een van de steunen weg onder de stenen schijf en ze zijn bezig met een wig om het gevaarte van de pyramide af te laten kukelen.

"Od? Kennen jullie die?" deze rare vraag weerklinkt opeens in hun hoofd.

"Ja natuurlijk, die heeft me hier in deze situatie gebracht!" reageert, niet Bilifor, maar Mio. De engel zucht eens. De nieuwsgierigheid van een achtjarig jongetje heeft het overgenomen en het is gedaan met de strijd. Inderdaad. Deze entiteit, Muktquatl geheten, is een zogeheten ‘earthbound’, een oeroude demon die al vele eeuwen geleden in deze stenen plaat is komen wonen en hij is de baas van dit deel van deze wereld. Hij heeft zich over Elise ontfermd omdat hij Ot nog wat schuldig was. En ja, hij geeft toe dat zijn beveiliging niet afdoende was om vier demonen tegen te houden. Maar stervelingen zoals Celestine, die waren er zeker niet doorheen gekomen. Mio is er niet zo zeker van: "Ja maar wij zijn nog maar kinderen. En ik ben bovendien geen demon! En als wij er al doorheen kunnen lopen, wie weet wat grote mensen weten en kunnen?"

Muktquatl stelt voor dat het viertal bij hem blijft. Er zijn genoeg gelovigen voor iedereen en vijf demonen zijn krachtiger dan een. Hij raadt Mio ook aan om Elise eens goed te bekijken. WOA! Opeens snapt Mio het verschil. Bilifor is inderdaad een gevallen engel. Hij kan wel doen alsof hij nog zuiver is, maar het is niet meer zo. Vergeleken bij Elise is zijn vlam maar een armzalig troebel, duister en rokerig lichtje en zijn macht slaat nergens op vergeleken met die van een  echte engel. Elise, ja dat is een engel. En toch is zij machteloos, want de schier oneindige krachten van die engel worden door haar halsband geneutraliseerd – maar dat kan toch helemaal niet?!

Hortus150Uiteindelijk nemen de vier Elise mee en laten Muktquatl achter in zijn rijk. De terugreis door de jungle is rustig, het landschap is ze nu gunstig gezind. Terug in Leiden is het nog steeds pikkedonker. De klok van het Academiegebouw geeft aan dat het inmiddels middernacht is. Alweer te laat! In de boomhut wordt een plekje gemaakt voor Elise en Simon en tegen drieen liggen ze eindelijk in bed.

En als Mio de volgende ochtend voordat hij naar school gaat nog even bij de hut kijkt, ziet hij dat de twee er niet meer zijn …

GV – Frustrerend

Een jongetje van acht, dat pas om zes uur ’s ochtends thuis komt en al om kwart over zeven gewekt wordt door zijn moeder, die heeft echt wel te weinig geslapen. Als hij dan ook nog eens roodverbrand is van het spelen in de tropische zon, dan ligt moeders reactie voor de hand: Mio is ziek. Dat komt vast van die rare kleren! Nog maar een dagje thuishouden dus en de dokter laten komen. Als hij uren later uitgeslapen is, zijn zijn ouders allang aan het werk. Hij kleedt zich aan en gaat naar de dojo voor de woensdagmiddagtraining. De engel voelt dat de meeste leerlingen gewone, cynische mensen zijn, maar de sensei is bijzonder omdat hij echt gelooft.
"Sensei", vraagt Mio, "mag ik leren om met wapens om te gaan?"
"Als je er aan toe bent. Laat eerst je kata maar eens zien."
Bilifor laat een klein beetje van zijn bovennatuurlijke macht door het lijfje van Mio heenstromen. Met de kracht van een volwassen bouwvakker en de elegantie van een olympisch kampioen atletiek gaat het jongetje door de complexe vorm heen.
"Netjes gedaan. Je bent rijp om te leren stokvechten. Doe mij na."
HatandtakaDe meester pakt een stok en begint met een simpele vorm, die Mio soepeltjes nadoet. Dan komt er een kata voor gevorderden, die hij ook foutloos kopieeert. Voor de derde vorm kiest de meester een heel erg moeilijke. Deze gaat een stuk minder soepel, maar zelfs nu kan de achtjarige zijn leraar imiteren. Sensei is onder de indruk en pakt een oude stok uit het rek: "Deze bo mag je mee naar huis nemen, oefen deze vorm. Op vrijdagavond mag je meedoen met de gevorderden." Wat een eer! Mio pakt de stok beleefd met beide handen aan en buigt diep, zoals het hoort.

Ab laat zijn zusje afbellen voor school en blijft ziek thuis. Kees en Suzette spijbelen gewoon. Simon heeft niet geslapen en is doorgegaan met programmeren en hij heeft nu, zoals hij het zelf zegt, het internet gedownload ‘maar dan zonder alle onzin’. Ab gaat weer boodschappen doen voor zijn mevrouw, en daarna gaat hij samen met Kees de stad in om met de kris naar poorten te zoeken waar Ot doorheen verdwenen zou kunnen zijn. Suzette, althans haar engel, bestudeert inmiddels de wereldpolitiek. Als Mio klaar is met trainen, belt hij haar op en samen gaan ze naar de andere twee.

ZijlpoortMorspoortAb en Kees hebben de hele Oostkant van de stad afgezocht naar poorten. Hierbij heeft Kees nog ruzie gekregen met de geest die in de kris woont en hij snijdt zich er gemeen aan. Ze zijn alle waterwegen afgegaan op zoek naar een plek waar Ot’s aak doorheen zou kunnen, maar hebben nog niets gevonden. Wel vinden ze dat de Zijlpoort een magisch portaal is. Het duurt een tijd voordat er geen mensen in de buurt zijn, en in die periode kijkt Mio/Bilifor eens naar Kees’ hand. Zelfs met de genezende macht van een engel kost het hem erg veel moeite om de wond te sluiten en er zal zeker een litteken overblijven. Maar het lukt. Als er dan even geen fietsers zijn, opent Kees de poort. Even is er een rimpeling als van water en dan kijken ze plotseling uit op de andere kant van de stad: er is een directe verbinding met de Morspoort!Dat is niet erg praktisch, want het zijn twee heel drukke punten in de stad met veel terrasjes er om heen. Maar voor een noodgeval is het toch nuttig om een manier te hebben om opeens aan de andere kant van de stad uit te komen.

"Ik wil wel op tijd thuis zijn voor het eten hoor", zegt Mio. Ja, dat vinden ze allemaal wel een goed idee. Wel willen ze nog even naar een ander poortje kijken hier vlakbij: de arsenaalpoort. Arsenaalpoort_1Die is volgens de kris ook een portaal. Leiden zit vol met die dingen lijkt het wel! Het is hier druk, dus er is geen gelegenheid om hem onopgemerkt te openen. Kees en Ab gaan ’s avonds na het eten verder op onderzoek uit. Dan is het een stuk rustiger op de Groenhazengracht. Als het portaal wordt geactiveerd, zien ze een pikdonkere ruimte. Snel maken ze hem weer dicht. Dan gaan ze naar de avondwinkel en kopen kaarsen, lucifers en zaklampen. Derde poging. Voorzichtig schijnt Ab naar binnen. Het lijkt een grote kelder te zijn met brede bogen en her en der staan kratten opgestapeld. Ze gaan snel naar binnen en sluiten de poort achter zich. Dan gaan ze de kelder verder in. Onderzoek wijst uit dat er geen uitgangen zijn. Deze kelder is alleen via de magische poort te bereiken. Op de kratten staan adelaars en hakenkruizen.

"Wat is dat?" vraagt Ab.

"Dat is nog uit de oorlog."

Kees wrikt een krat open en daarin vinden ze blikken met voedsel. Duitse blikken, houdbaar tot 1947. Aan het stof te oordelen, is hier sinds de oorlog nooit meer iemand geweest. Gaaf, een geheim hoofdkwartier! Ze laten de kaarsen en lucifers achter, en een zaklamp naast de ingang. Tijd om naar huis te gaan.

Quilm/Simon gaat na het eten naar Mio’s huis, want hij wil in de boomhut verder werken aan de ‘boom der kennis’. Mio helpt met het timmeren van een afdak, terwijl Simon heel vreemde dingen aan het doen is met broodroosters, oude telefoontjes en andere apparaten. In de loop van de avond valt het Mio op dat Simon er slecht uitziet. Hij heeft wallen onder de ogen en een grauwe huidskleur. Volgens Simon kan het geen kwaad, en hij heeft een bron van Faith gevonden, zodat hij zich gewoon wakker kan houden. Om acht uur wordt Mio binnengeroepen, hij moet naar bed.
"Mamma, mag Simon blijven slapen?"
"Mag dat van zijn ouders?"
"Nou, Simon logeert eigenlijk bij Kees en van hun mag het."
"Goed dan."
Maar Simon wil helemaal niet slapen. "Dat moet toch echt hoor, anders gaat je lichaam er aan onderdoor!" Het blijkt dat hij vreselijke last heeft van nachtmerries. Dus regelt Mio’s moeder een dreamcatcher en voert zij hem camillethee en saliemelk. De twee jongens slapen die nacht heerlijk en Simon is de volgende ochtend voor het eerst helemaal uitgeslapen. Hij wil meteen verder knutselen aan de boom. Mio oefent zijn nieuwe kata.
Dan moeten de kinderen naar school, Simon ook. "Maar mam, Simon hoeft helemaal niet naar school. Hij komt van een andere planeet en daar is het nu vakantie." Verward knippert moeder met de ogen. Het zal wel.

BrueghelDe andere drie kinderen hebben minder geluk. Hun engelen dromen, en die hebben de meest vreselijke nachtmerries. Ze dromen herinneringen aan de hel, waar de onstoffelijke engelen hun oorspronkelijke glorieuze vorm vergeten zijn. Het is een plaats van torment. Als wezens met de meest afgrijselijke vormen proberen ze elkaars lichaam over te nemen. En dat lukt niet. De volgende dag worden ze wakker met het vreselijke besef dat hun engelgestalte niet hun enige vorm is, ze hebben ook nog een demonische, helse gestalte.

TaffehDe donderdag is een gewone schooldag. Na school komen de kinderen weer bij elkaar voor krijgsberaad. Simon heeft op het internet twee verwijzingen gevonden naar poorten in Leidse musea: er is er eentje in het Rijksmuseum voor oudheden en ook eentje in de Lakenhal. We gaan naar Oudheden. In de Taffehtempe
l, die daar in de hal staat, haalt Kees de kris uit zijn binnenzak. "Deze poort mag ik niet openen." Da’s jammer. Er is in de tempel een tekst in lichtgevende rode letters. Op een paneel in de achterwand staat iets geschreven wat we niet kunnen lezen. Mio tekent het na.

Het is inmiddels kwart voor vijf en als we het lief vragen mogen we van de portier het museum nog eventjes in zonder dat we een kaartje hoeven te betalen. Bovenin de afdeling Romeinen vinden we de poort die Simon bedoelde, maar volgens de kris is dit nog geen bestaande poort. Hij kan hier wel als we dat willen een poort maken. Dat is een goed idee. We willen een poort tussen hier en de boomhut. Dan kunnen we ’s nachts dit museum in als er geen bezoekers zijn. Museum06Op de weg naar beneden komen we door de mummiezaal. En daar zien een paar van ons het hoofdje van een heel enge kindermummie bewegen! Hij volgt ons! De kinderen die het gezien hebben schrikken enorm, maar
Kees/Tigris, die een engel des doods is, is minder bang. Hij spreekt de mummie aan.

"Op last van Jovis, Augustus Caesar, het is verboden om de poort te openen." luidt het antwoord. Daar hebben we niet veel aan, maar het is een begin. En eenmaal op gang gekomen kost het weinig moeite om met hem te converseren. Na al die eeuwen is hij blij weer eens met iemand te kunnen spreken. Marius is niet de mummie, maar een spook die de mummie als voertuig kan gebruiken. Hij was 2000 jaar geleden een generaal in het leger van de Romeinse keizer Augustus, die een incarnatie was van de god Jovis. Deze poort gaat naar het rijk van ene Amoenis, die de verborgen god van de Egyptenaren was en een vijand van Jovis. Het sluiten van de poort was de daad die er voor zorgde dat Egypte zijn goden kwijt raakte. Boeiend. Mio had graag langer gepraat, want hij wil meer weten van deze Jovis en Amoenis, maar het is laat en we moeten weg. Zijn vermoeden is, dat dit speelde tijdens de oorlog van de engelen en dat Jovis een engel met lichaam was en Amoenis er eentje zonder was.

Op de weg naar huis, gaan we nog even langs de Koeliekerk: "Hic domus dei est et porta coeli" – Dit is het huis van god en de poort van de hemel, weet Mio. Daar moet wel een poort zitten. En ja hoor: "Gaan jullie nu al vechten?" vraagt de kris. We kunnen er wel binnenkomen, maar de sfeer is zeer bedreigend en vijandig. Dit is echt geen fijne plek voor ons. Inderdaad, hier zit de poort naar een hemel, waarschijnlijk die van Celestine. Snel weer weg.

De Lakenhal is al gesloten. Volgens de kris zit hier een poort naar andere werelden, maar hij is vaag. Alleen Mio voelt er voor om in te breken, de rest is bang voor alle drieluiken. Het Von Sieboldhuis is schoon. De universiteitsmanege heeft een prachtige boogvormige poort. Er zit hier niets, maar de kris zegt dat hij hier wel een portaal van kan maken. Handig!

Het academiegebouw heeft wel een poort: het tunneltje naar de hortus is er eentje. Kees opent de doorgang en we zien een tropische jungle. Bingo! Daar gaan we een vanavond naar toe! Maar eerst naar huis om te eten.

GV – Tagaloa

Mio’s moeder maakt zich wel zorgen over de nieuwe Kidswoodlandcamoshirtkledingkeuze van haar zoontje. "Liefje, het is toch wel erg militaristisch zo. Zullen we morgen naar de stad gaan om kleren voor je te kopen," probeert ze, "wil je misschien van die dure gymschoenen van Alidas of zo?"  " Nee hoor mam, ik ben hier  heel tevreden mee." Ze dringt aan, maar Mio houdt zijn poot stijf. Na het avondeten verzamelen de kinderen zich bij Kees, zogenaamd om huiswerk te gaan maken. Maar in werkelijkheid is het krijgsberaad. We moeten die poorten proberen te vinden. Er is er eentje in het Rijksmuseum voor Volkenkunde en daar zou ook die kris te vinden moeten zijn. Dat lokt. Durven ze het aan om er in te gaan breken?

Simon maakt van een vergiet en een oude GSM van Kees’ moeder een apparaat waarmee hij de alarminstallatie kan omzeilen. Kees’ familie heeft een winkel in martiale waren, en thuis ligt een hele voorraad opgeslagen. Hij haalt voor ieder een B000hvxgye01ajqtg9j4m7yf8_scmzzzzzzz_v60ninjapakje uit de kast, want als je gaat inbreken dan moet je dat natuurlijk wel in stijl doen. Ab en Kees zoeken stoere messen uit, Suzette neemt een klein handkruisboogje mee en Mio pakt een aantal werpsterren en een pijl en boog mee.

En dan gaan ze op weg. Simon’s apparaat ziet er niet uit, hij heeft een vergiet op zijn hoofd waar een antenne uit steekt en zo, maar het werkt prima. De kinderen klauteren over het hek en glippen door een kelderraampje naar binnen. Er is in de kelders geen spoor meer over van de akelige werkplaats van Celestine. Als ze omhoog gaan, komen ze in het museum zelf. Eerst maar op zoek naar de afdeling krissen. die is snel gevonden: in de zaal met Indonesie is een hele wand met die dingen. Het valt op dat er een lege plek is, met een briefje Tijdelijk niet beschikbaar. Mio concentreert zich en veegt ter hoogte van de lege plek met zijn hand over de glazen wand van de vitrine om te voelen of een van de naburige exemplaren misschien iets bovennatuurlijks heeft. Opeens hoort hij een stem in zijn hoofd: "Wat ben je daar nou aan het staren?" 3020724"Uh, ben jij de tweelingkris van die hiernaast hoort te hangen?"   "Nee. Nou goed? Wie ben jij eigenlijk?"

De kris blijkt Besertana te heten en hij is inderdaad de tweeling van de geest Amartjin die in Celestine’s kris zit en Amartjin heeft Celestine zelf uitgekozen.  Hij is in eerste instantie niet van zins om de engelen te helpen, want engelen hebben hem dit ooit aangedaan. Hij was ten tijde van de oorlogen tussen de engelen een Nefilim, iemand die speciale machten had gekregen, en de engelen hebben zijn geest als wapen in een dolk gestopt. De kris is millennia oud en al vier keer hersmeed. Pas als de kinderen beloven hun best te doen om een manier te vinden waarop hij er weer uit bevrijd kan worden, wil hij met ze mee. Hij kiest Kees uit als zijn drager. Simon maakt een briefje met Uitgeleend voor onderzoek dat op de plaats van de kris wordt gehangen. Mio is een beetje sjacherijnig, want hij heeft alle onderhandelingen gedaan en nu mag Kees de toverdolk. Hij loopt een beetje door het museum en dan valt zijn blik op een doek van boombast. Hij voelt de sterke genezende kracht en ervan en besluit dat hij hem wil hebben. Nou, dan zoeken de andere kinderen ook iets leuks uit. Suzette vindt de Staf van de Redenaar en Ab neemt een ivoren kam met de magische eigenschap dat degene wiens haar er mee gekamd wordt gecharmeerd wordt.

En dan vinden ze de poort. TentHij is ook niet echt te missen!

De kris begint te vibreren. Als Kees er mee op het bouwsel wijst, zien ze een fel licht schijnen door de kleine driehoekige poort onderin het immense bouwsel. Door de opening is een zonovergoten wit strand te zien, met een helderblauwe zee aan de ene kant en palmbomen aan de andere kant. Voordat de andere kinderen hem kunnen tegenhouden kruipt Mio door de opening. "Het is hier lekker warm jongens!" Aan deze kant zie je alleen een driehoekig gat in de lucht. Hij rent om de poort heen en ontdekt dat je hem van de andere kant niet eens kunt zien. Als blijkt dat er geen gevaar is, volgen de anderen ook.

De vier kinderen staan in hun ninjapakjes op een tropisch strand. Het is hier prachtig. Op zee varen een paar bootjes en in de verte zien ze een dorpje liggen, met dikke welgedane mensen en spelende kinderen. Een paar vissersboten liggen op het strand. Via de bosrand sluipen ze er naar toe.

Enkele kinderen uit het dorp zien hun en rennen er op af. Ze zijn heel vriendelijk en vinden de blonde haren en bleke huiden van de hollandse kindertjes heel interessant. De volwassenen uit het dorp zijn eerst een beetje terughoudend, maar als blijkt dat Simon hun taal spreekt, dan worden de vijf hartelijk onthaald in het dorp. Wat blijkt? SbeachHun komst was voorspeld door Maloe, een sjamaan die op het eiland der goden even verderop woont en die nu hiernaartoe op weg is. "Vijf goden zouden op dit eiland landen, die geen goden zijn." In afwachting van de komst van de heilige man krijgen ze een feestmaal voorgeschoteld. Het is allemaal even lekker. Als Mio genoeg geten heeft, gaat hij tikkertje spelen met de kinderen van het dorp, Simon eet echter tot groot genoegen van de dorpelingen onverzadigbaar door. Het dorpshoofd is een joviale dikke man die continu grapjes maakt. Hij laat een hut bouwen op het strand en terwijl de prauw met de sjamaan aanlegt, begeleidt Teona, de vrouw die aan het hoofd van de  familie staat, de kinderen en laat ze in de nieuwe hut plaatsnemen. De heilige man is veel jonger dan verwacht. Hij is statig en zelfverzekerd en is van zijn middel naar beneden helemaal getatoeeerd. Teona vertelt dat hij als enige met de goden mag spreken. Dat is zowel voor de veiligheid van de mensen, als voor die van de goden. We moeten hem uit laten spreken, ook als we het verhaal niet snappen of saai vinden. Daarna kan zij uitleg geven.

Rugby1Maloe neemt plaats, begroet de kinderen kort en begint te vertellen. Hij vertelt ze het scheppingsverhaal, het verhaal van hoe Tagaloa alles gemaakt heeft. De negen hemelen en de verschillende werelden, de mensen en de goden. Wij zijn goden, oftewel tagaloa, maar dan gevallen goden. Hij is hier om ons te begroeten want de mensen zijn ons dankbaar, omdat wij hun kant hebben gekozen in de godenstrijd. Maar hij is hier ook om te vragen of we weer weg willen gaan, want wij zijn gevaarlijk voor de mensen hier. Dan vertrekt hij weer.

Als Maloe weer vertrokken is, wordt de hut achter hem verbrand, net als alles wat hij heeft aangeraakt. Teona legt uit dat goden mensen beschouwen als speelgoed. Sommige goden zijn mensen gaan liefhebben en zijn zelfs ingetrokken bij mensen, in hun lichaam. Andere goden, onder leiding van de oppergod Tagaloa de Onbeweeglijke,  zagen dat als een misdrijf en er is een oorlog geweest. Het is wel duidelijk wie de verliezers waren. Wij. Maar direct contact tussen mensen en goden is dus zowel voor de goden als voor de mensen heel gevaarlijk. In deze wereld zijn de herinneringen aan die tijd nog sterk en de mensen weten welke rituelen de relatie tussen mensen en goden zuiver kunnen houden. En daarom is het
dorpshoofd ook zo boos. Hij laat het niet merken en speelt de grapjas om niemand voor het hoofd te stoten, maar als wij zometeen weg zijn moet hij enorm ingewikkelde zuiveringen gaan uitvoeren.
Het is laat en we willen graag weer naar huis. In onze eigen wereld is het inmiddels al bijna weer licht! We moeten over een paar uur alweer naar school, dus snel naar huis en in bed!

GV – De boomhut

De volgende ochtend worden de kinderen moe wakker. Het is echt te laat geworden. Ab gaat braaf naar school. Dat is niet zijn  gewoonte, maar moeder hoor je niet klagen. Die is allang blij dat hij eindelijk eens doet wat hem gezegd wordt. Ook Kees gaat naar school. Zijn ouders zijn van die echte Leienaars en het kan hun werkelijk niet schelen of hij wel of niet gaat. Simon, die bij Kees ‘logeert’, blijft thuis. Die gaat het internet op. Op school merken zowel Ab als Kees hoe oppervlakkig en suf de andere kinderen eigenlijk zijn. Het valt ze ook op dat kinderen, in tegenstelling tot volwassenen, over enorme hoeveelheden rauw geloof beschikken. Een kind gelooft in van alles: Sinterklaas, de onfeilbaarheid van zijn ouders, kabouters, de kerstman. Volwassenen geloven amper in zichzelf.  En geloof, ‘Faith’, dat is waar engelen en demonen hun kracht van krijgen. 

Met Suzette  is het anders gesteld. Haar moeder houdt haar een dagje thuis. Volgens de psychiater lijdt Suus aan borderline en heeft ze intensieve therapie nodig. Moeder vindt dat eigenlijk helemaal niet erg, het is een mooi verhaal om je vriendinnen mee onder de indruk te brengen. Suzette gaat dus naar dr. Rudolphs. Ze houdt een prachtig verhaal om de man om de tuin te lijden en de demonische gast in haar is al voorbereidingen aan het treffen om een pact met hem te sluiten.

Treehouse_2

"Mio mijn Mio, wat heb je nou toch aan!" roept Mio’s moeder als ze hem de volgende ochtend aan het ontbijt ziet. Mio heeft Kees’ oude kleren aangetrokken, die hij gisternacht had geleend: legerpetje, bomberjack, camouflagebroek en kistjes. "Nieuwe kleren mam, zitten veel lekkerder dan die kriebeltrui van oma."
"Blijf nog maar een dagje thuis om aan te sterken", zegt moeder verward. Mio is blij, een dag niet naar school, is een dag om te spelen! Hij rent de tuin in en zodra hij de deur uit is, begint zijn moeder tegen zijn vader uit te varen: "O jee, hij begint zich nu al tegen ons af te zetten! Is’ie daar nog niet veel te jong voor? Wat hebben we fout gedaan?"

Mio is zich nergens van bewust. Hij is met planken, touw en spijkers in de weer. De engel die in hem woont geeft hem ongewone kracht en behendigheid voor een achtjarige en de boomhut vordert gestaag. ’s Middags gaat hij trainen bij zijn ninja-clubje. De oude Japanner die daar lesgeeft is streng, maar erg goed. NinjaZolang als Mio zonder te bewegen op een been op een paaltje kan blijven staan (en dat is inmiddels behoorlijk lang) wil de sensei wel antwoord geven op zijn vragen. Eerst vraagt Mio of de sensei van andere werelden weet. Sensei weet maar van twee werelden. "Levende mensen wonen in deze wereld, geesten wonen in geestenwereld. Doden gaan niet naar hel, nee. Vereerde voorouders gaan naar geestenwereld." en als Mio informeert naar wat sensei weet van bezetenheid zegt deze: "Niet goed. Als geest in lichaam van jouw vriendje, hij moet naar goede shintopriester. Die zijn er niet hier. Moet naar Japan." Daar heb je dus niet veel aan.

Hjc_cl14_ffh_blacksnow_lAan het einde van de middag komt iedereen bij Mio langs. De hut is inmiddels stevig genoeg voor vijf kinderen. Simon is onder de indruk en hij gaat er meteen een internetaansluiting in elkaar zetten. Via de wortels van de boom wordt Mio’s gameboy op het WorldWideWeb aangesloten en zijn oude motorhelm wordt omgebouwd tot 3-D interface. Mio is daar erg blij mee: "Dan is dit nu de boom van kennis! Joepie!"

Na een tijd rondgesurfd te hebben, besluiten de kinderen en hun inwonende engelen c.q. demonen dat ze weer met de oude zwerver moeten gaan praten. En hoe vind je in Leiden een zwerver? Eerst gaan ze naar het ankerpark. Daar zitten wel een paar daklozen, maar niet degene die ze zoeken. "Hebben jullie Hieronymus gezien?" Een van de zwervers heeft wel een idee. Net als zo veel daklozen woont hij onder het treinplatform, naast de fietsenstalling en de bushaltes, misschien is hij daar wel. Dus weer op de fiets, helemaal naar de andere kant van de stad. "Nee, die ouwe zuiplap zit weer op het gras voor het ziekenhuis lijp te wezen." De vijf gaan door het tunneltje naar de achterkant van het station en ja hoor. Op een bankje op het enorme met fietsen bezaaide grasveld zit een magere gestalte met een fles jenever.

StationleidenHieronymus is stomdronken. Bilifor, Mio’s engel, schrikt er van. "Ik wist niet dat iemand die zo ziek is nog rond kan lopen." Schurft, parkinson, longontsteking, voetschimmel, schizofrenie, reuma, aderverkalking. Die man is een wandelende medische encyclopedie. En wat ook heel vreemd is, hij heeft geen Faith! "O, maar hij is een profeet, dus dat komt vast omdat hij alles weet. En als je alles weet, geloof je niets." Mio legt zijn hand op Hieronymus’ schouder en concentreert zich. De engel in hem begint de oude man te genezen. Eerst verlaat de alcohol het uitgemergelde lichaam, dan de aderverkalking, de schurft en de voetschimmel. Maar hij heeft zo veel verschillende kwalen dat de genezende krachten van Bilifor ze niet allemaal aankunnen. Bovendien is hij ook helemaal niet dankbaar. Hij is wel nuchter. En hij herkent de kinderen en profeteert: "Blijf niet te lang hangen of je zult het berouwen!" Het lukt ze kort om hem aan de praat te krijgen, maar als de vragen te persoonlijk worden grijpt hij weer naar zijn fles. Voordat hij weer helemaal lazarus is, komen de kinderen toch nog wel het een en ander te weten.

Waar Ot en Elise zijn, dat weet Hieronymus niet. Ot is naar een andere wereld gevaren, en de blonde engel is niet bij hem. Die is op een veilige plaats. En ja, het is heel belangrijk dat we haar vinden. Ze mag onder geen beding in verkeerde handen vallen, anders is alles verloren. Waar Celestine heen is weet hij ook niet, maar die is via een poort in het Museum voor Volkenkunde hier gekomen, en misschien ook daarlangs weer verdwenen. Leiden zit vol met poorten en waar die zitten, dat zouden we gewoon aan moeten kunnen voelen. Hij weet niet waarom die gemaakt zijn, maar iemand heeft het gedaan en die heeft er vast een reden voor gehad.

G_3022676Terug naar de hut. Krijgsberaad: blijkbaar hebben we haast. We moeten op zoek naar Elise en daarvoor moeten we de poorten door. Waar zijn die poorten? We weten er twee. Eentje is in de Nieuwe Rijn maar daar is Ot doorheen, dus daar is Elise niet. De andere is dus in het museum voor Volkenkunde. Laten we daar dus maar beginnen. Simon gaat op het internet zoeken naar rare dingen in het museum. Hij ontdekt dat het museum een set tweeling-krissen had. Een daarvan, de vrouwelijke kris, is onlangs gestolen. En hij herkent de afbeelding: Celestine heeft hem! Het is vast een goed idee om de mannelijke tegenhanger ervan te bemachtigen.

Gouden Vlam deel 1 – Achtervolging en openbaring

Drie engelen staan midden in de nacht op een straathoek in een Leidse achterstandswijk. Alledrie werden ze kort tevoren wakker in een kinderlichaam. Deze drie kinderen hebben samen met nog een vierde een vreemd avontuur beleefd en ze besluiten dat ze die vierde nu gaan opzoeken. Maar drie engelen die over straat gaan, al is het midden in de nacht, dat valt op. De kinderen hebben het er nog even over. Bilifor, de engel van de lentebloesem, heeft er niet zo’n zin in om weer in kindergedaante te veranderen. Vleugels zijn fijn. Maar als het wat drukker wordt op straat geeft hij ook op.
9okt20042cv01600Kees woont aan de Binnenvestgracht, tegenover het museum waar ze zo’n slechte herinneringen aan hebben. De engelen, nu alledrie weer kinderen, voelen niet 1, maar 2 bovennatuurlijke aanwezigheden in het huis. Als ze het huis naderen, voelen ze de twee die in het huis zijn, naar achteren vluchten. Zou een daarvan Kees kunnen zijn? Is hij in de problemen?
Mio (of Bilifor) klimt bovenop het museumhek, laat zijn vleugels weer verschijnen en springt naar de dakgoot aan de overkant van de straat en zet de achtervolging in via de daken. Suzette neemt weer de vlammende gestalte van Athloton aan en blijft voor het huis wachten en Ab ofwel Usnarda, springt op de fiets en rijdt om het huizenblok heen om ze de pas af te snijden. "Kees! Kees!" wordt er geroepen, maar de twee verwijderen zich nog sneller. Ab waarschuwt snel de andere twee en zet er vaart in. Suzette stapt op Mio’s fiets en rijdt er hard achteraan. Mio volgt in glijvlucht door de stegen. Als ze de Leidse Shoarmaboulevard oversteken, worden ze gezien door twee dronkaards. Een engel in scheervlucht door nachtelijk Leiden achter een brandend meisje op een fiets aan, dat is genoeg om de drank af te zweren!
In de Sint Aagtenstraat is een verscholen parkeerplaats tussen de huizen. Hier houden de twee vluchtenden halt. De andere drie fietsen en rennen de parkeerplaats op en schrikken zich helemaal te pletter. Iron_golem_largeEen enorme ijzeren gestalte met aderen van gloeiende magma torent boven ze uit. Daarnaast staat een veel kleinere schaduwachtige gedaante. Ze staan in een dreigende houding, klaar om een gevecht aan te gaan. Angel_of_death
"Wat willen jullie van ons!?" vraagt de reus met donderende stem. De kinderen zijn er even stil van.
"Wie zijn  jullie? Kees, ben jij dat?" vraagt Suzette voorzichtig.

"Ik vroeg het het eerst!" zegt de reus.

Praten is beter dan vechten. De krijgshaftige houdingen ontspannen. Ja, de schimmige doodsengel was ooit Kees, nu is het de gevallen engel Tigris en de metalen reus heet Simon, hij is een jongen die bezeten is door de demon Quilm. Als duidelijk is, dat we mekaar voorlopig geen kwaad toewensen, adviseert Simon ons dringend om weer in mensen te veranderen en snel naar Kees zijn huis te gaan. Simon blijkt een dik jongetje te zijn die ongeveer even oud is als de anderen.

Kees had op zijn vlucht de achterdeur open laten staan en de vijf kinderen gaan snel naar binnen. Op zijn kamer biedt Kees aan Mio, die inmiddels verkleumd is, wat oude kleren aan: Childrenscamotankerjacketseen camouflagebroek, afgetrapte kistjes die Kees inmiddels te klein zijn, een legerpetje en een oud bomberjack. Als Mio weer opgewarmd is, vindt hij deze kleren toch wel veel comfortabeler dan de zelfgebreide truien en birkenstock sandalen die hij normaal draagt.

We wisselen informatie uit. Simon, of beter gezegd Quilm is een demon. Hij is door de tovenares Celestine uit de hel gehaald en in een kinderlichaam gestopt. Hij werd door haar als slaaf gebruikt en zij heeft hem ook vaak gemarteld. Hij weet ook te vertellen dat Celestine werkt voor het Vaticaan. Simon zelf is overigens niet van onze wereld afkomstig. Hij vertelt dat waar hij vandaan komt de mensen nog in de middeleeuwen leven.

Tigris is ook een demon. Hij vertelt dat hij zich de hel ook kan herinneren en de gevangenis waar Celestine hem vanuit de hel in gestopt had. Een gevangenis met twee uitgangen, terug de hel in of het lichaam van een kind: Kees. Hij is erg fel over een of andere strijd die in het verre verleden plaats moet hebben gevonden en waarin verschillende kanten waren: Asmodeus, Beelzebub, Lucifer, God … Hij herinnert zich niet meer welke kant hij ooit gekozen had, maar denkt dat het heel belangrijk is en dat hij ons als vrienden kwijt zal raken zodra blijkt dat we ooit aan verschillende kanten stonden. Mio/Bilifor vindt dat grote onzin: "Ik ben een engel, maar die Celestine is zo fout als het maar kan. Ze martelt kinderen. Wat ik ook ooit gekozen heb, ik weet 1 ding zeker: dit is fout! Dus als dat ooit mijn kant geweest is, dan sta ik daar nu niet meer."

Tigris vertelt ook dat hij de andere kinderen, Mio incluis, heeft zien liggen op stalen tafels. Hoe de andere drie weer vrij zijn gekomen, dat weet hij niet. En hij vertelt dat Celestine een toverspreuk in zijn hart heeft gekerfd, waardoor zij hem met xc3xa9xc3xa9n woord kan doden. Hij laat het litteken zien op zijn  borst: het is net zo’n golvende lijn als bij de andere drie. Simon vertelt dat een demon alleen op aarde kan zijn in een menselijk lichaam, en als het lichaam sterft dan valt de demon onherroepelijk terug in de hel. Simon en Kees hebben samen weten te ontsnappen en ze waren zo bang, omdat ze ons aanzagen voor achtervolgers, dienaren van Celestine.

Het is laat, erg laat. Onsterfelijken zoals engelen en demonen hebben geen tijdsbesef, maar de kinderlichamen zijn moe. En iedereen gaat naar huis. Ze spreken af om de volgende dag na school in Mio’s boomhut weer bij mekaar te komen.

Bezeten

Twee jongens en een meisje vinden zichzelf terug op de kermis in Leiden. Gebeurt alles nu weer opnieuw? Ab gaat op de uitkijk staan en de andere twee rennen snel naar de plek achter de frietkraam waar ze eerder het blonde meisje met de rare halsband hebben gevonden. Maar die komt niet. En waar is Kees eigenlijk? Er klopt wel meer niet. Mio ziet iemand voor de derde keer in hetzelfde botsautootje stappen en Ab ziet een vrouw over de kermis lopen met een paraplu voor haar uit, alsof ze tegen een regenstorm inloopt. Dat is raar. Het motregent wel een beetje, maar het waait niet.

Ab gaat naar de anderen en vertelt wat hij heeft gezien. De kinderen hebben het idee dat er wat mis is. Ab voelt eens aan de straat. Die is kletsnat! Dan doen de drie kinderen hun ogen dicht en tasten eens om zich heen. Ab reikt naar de frietkraam – en die staat er niet!! En opeens knapt de illusie: hij ziet dat hij midden op straat staat, het is donker en het plenst van de regen. Er is iets verschrikkelijks gebeurd, iets waar zijn geest zich meteen voor afsluit. Hij vouwt zijn armen om zijn hoofd en valt katatonisch op de grond. Suzette overkomt hetzelfde en ze gaat hysterisch gillen. BeestenmarktMaar Mio heeft de illusie niet door. Hij ziet de andere twee gek worden. Schudden en aanspreken helpt niet. De mensen op de kermis negeren hem als hij ze aanklampt. Op een na, een man in een regenjas die haast heeft en de trein wil halen. Na nog meer schudden komt Suzette bij. Ze geeft Ab een harde schop en na nog wat schudden en praten komt hij ook bij. Mio is inmiddels wel overtuigt dat wat hij ziet niet echt is (hij heeft de man inmiddels al zeker acht keer in het botsautootje zien instappen), maar hij blijft de kermis zien. Een marokkaanse jongen weet Ab te vertellen dat het 7 oktober is. Dat geeft de doorslag, we zijn vier dagen kwijt! Mio doet nog een poging om door de illusie heen te kijken en uiteindelijk lukt het hem ook om de werkelijkheid te zien. Ook Miorealiseert zich dat er iets vreselijks gebeurd moet zijn en hij krijgteen vreselijke woede aanval. Als hij uitgeraast is, gaan ze een patatjeeten in de McDonalds, die bijna sluit. Wat nu? Naar huis! Maar wat vertellen we thuis? Ab denkt dat het allemaal wel zal meevallen, een draai om z’n oren misschien. Mio denkt dat hij wel een weekje huisarrrest zal krijgen en Suzette maakt zich nog het meeste zorgen. Ze gaat liever met Mio mee en dan kunnen zijn ouders de hare bellen. Zo gezegd, zo gedaan.
Ab krijgt thuis de wind van voren van zijn oudere zus. Mamma is heel bezorgd geweest en die gaat meteen eten voor hem koken. Zus denkt dat hij met verkeerde vrienden omgaat en aan de drugs is. Hij krijgt nog een laatste kans van haar en daarom heeft ze mamma overgehaald om niet naar de politie te gaan. Maar je bent gewaarschuwd! Ab gaat opgelucht naar bed en valt in slaap.
Mio en Suzette komen aan bij Mio’s ouders. Zijn ouders zijn dolblij dat hij terug is. De doorweekte kleren gaan uit en er worden meteen warme pyama’s voor de twee gehaald. Mio heeft ook een oudere zus, die warme chocoladesojamelk voor ze maakt. Zijn moeder bemoedert de kinderen en vader belt de politie om te melden dat hun zoontje weer terecht is. Al snel staan er twee agenten voor de deur. Als blijkt dat Suzette ook als vermist was opgegeven worden haar ouders ook gewaarschuwd. De kinderen vertellen dat ze zich niets kunnen herinneren van de afgelopen drie dagen. Ze worden meegenomen naar het ziekenhuis voor onderzoek, de kleren gaan in aparte zakken voor de forensische afdeling. In het hospitaal worden de twee apart onderzocht. Het blijkt dat de kinderen blauwe plekken hebben en allebei hebben ze een vreemd litteken op de borst: een golvende lijn die van de linkertepel omlaag loopt. De korst laat al bijna los, dus de verwonding moet vrij oud zijn, zeker van voor de verdwijning. Maar er zijn geen tekenen van sexueel misbruik.
Suzette’s ouders zijn vreselijk. Het lijkt nauwelijks tot ze door te dringen dat hun dochter misschien iets akeligs is overkomen. Vader belt continu met zijn mobiele telefoon en moeder is vooral met zichzelf bezig: "Oh god wat erg!  Is ze misbruikt? Dat mij dat weer moet overkomen!" Een bezoek aan de psychiater morgen lijkt Suzettes moeder een goed idee, "dan wordt het tenminste vergoed door de verzekering en kan het kind eindelijk eens in therapie." Mio’s moeder is daarentegen als een moederkloek, warm en liefhebbend, en een bezoek aan de psychiater lijkt haar niet nodig, een homeopaat lijkt haar beter. Maar ze belooft om Mio toch maar de volgende dag te brengen. En dan gaat iedereen naar huis. De kinderen worden in bed gelegd.

BizblondedevilangelDie nacht slapen ze allemaal slecht! Ze hebben vreselijke nachtmerries over uiteengereten lichamen, gruwelijke monsters en afschuwelijke rampen. Midden in de nacht schrikken ze alle drie wakker. Mio kruipt bij zijn ouders in bed, Suzette zoekt in haar moeders medicijnkast naar een slaappil en Ab doet het licht aan en probeert weer in te slapen.

Ab gaat de volgende dag gewoon naar school. De meester vraagt of hij ziek was en hij zegt maar ja. In de pauze belt hij de bejaarde mevrouw waar hij altijd boodschappen voor doet. Hij biedt zijn excuses aan en spreekt af die middag langs te komen. Mio en Suzette hebben vrij want ze moeten nog naar de psychiater. ’s Ochtends bouwt Mio verder aan zijn boomhut. Suzette’s moeder moet naar de tennisclub of zoiets en geeft de poolse werkster opdracht het kind naar het ziekenhuis te brengen. Het bezoek aan de zielknijper verloopt niet zo soepel. De kinderen vertellen niets over Ot en Celestine. Mio weet hem wel te overtuigen dat hij zich niks kan herinneren en suggereert dat iemand misschien iets in zijn cola heeft gedaan. Maar bij het verhaal van Suzette heeft de dokter nog een aantal vraagtekens. Uiteindelijk mogen ze weg. Suzette zegt tegen de werkster dat ze met Mio meegaat om haar fiets op te halen en de werkster vindt het allang best. Bij hem thuis bellen ze Ab en Kees. Kees neemt niet op, maar met Ab spreken ze na school af bij de Morspoort.

Dan gaan ze op zoek naar de fiets van Mio. Bij het museum bekruipt hun allebei een heel ongemakkelijk gevoel, heel akelig. Toch klautert Mio over het hek. Na even zoeken vindt hij in de struiken de bronzen pijl die hij uit Ot’s borst had gewrikt. Dat is het definitieve bewijs dat het allemaal geen hallucinaties waren geweest. Een tijdje later arriveert Ab. Krijgsberaad. Ze vergelijken hun dromen en ze komen er achter dat zealledrie hetzelfde litteken hebben. Het is allemaal wel heel vreemd. Ab beslist dat hij een fiets nodig heeft. De fietsenjunk heeft natuurlijk geen kinderfiets, maar kan hem er over een paar uur welk eentje leveren. Ze gaan op zoek naar de boot van Ot, maar die ligt er niet meer en het is ook niet te achterhalen waar die is gebleven. In  het Ankerpark vinden we wel de oude zwerver CatweazleHieronymus. Hij is niet geheel aanspreekbaar, maar hij heeft twee lucide momenten. "Vindt de blonde engel voor het te laat is! Ze mag niet in verkeerde handen vallen!" en " Hoed je voor de poorten, maar door de poorten moet je gaan." Als duidelijk is dat er verder niets zinnigs meer uitkomt, gaan de kinderen de bestelde fiets  ophalen en daarna gaan Mio en Suzette naar huis en RessurrectionAb gaat bij zijn mevrouw Winckelman langs voor de boodschappen. Aan de muur valt hem een schilderijtje op van een engel en mensen die uit de grond omhoog
komen. Hij is moslim en herkent het tafereel niet, maar het spreekt hem wel aan. Als hij er naar vraagt, legt mw. Winckelman uit over de opstanding en het laatste oordeel.

Die avond gaan ze allemaal vroeg naar bed en als de drie weer slapen, komen de nachtmerries weer terug. Nog erger dan de vorige keer. En weer schrikken de kinderen midden in de nacht wakker. Maar  ditmaal proberen ze door te slapen. Terwijl het kinderlijke bewustzijn zich ontspant, blijkt bij alledrie een nieuwe aanwezigheid wakker te worden.

Bilifor, heer van Glorie, engel van de lentebloesem ontwaakt. Wat is het fijn om weer een lichaam te hebben! Hij gaat rechtop zitten, inspecteert zichzelf en ziet dat het een sterk, lenig en gezond lijfje is. Hij verbaast zich er helemaal niet over dat het een kind is. Hij kijkt eens rond, doet het raam open en gaat in de dakgoot zitten. Wat een prachtige nacht! Hij gaat staan, vouwt zijn vleugels open en wil zich voorover laten vallen.

"NEE!!!"

Een paniekerige kinderstem schreeuwt "Niet doen!" en even later "Wie ben jij en hoe kom je in mijn hoofd ?" De engel denkt eens na. Dat weet hij eigenlijk niet. "Ik ben Bilifor en ik weet niet hoe ik in je hoofd kom."  "Ben ik nu bezeten?"  "Zo kun je dat inderdaad wel noemen." "Maar dat wil ik helemaal niet! Ga weg!" "Dat zal niet gaan. Ik ben er nu en ik blijf." "Ja, maar wat moet er dan met mij? Het is mijn lijf! Je gaat me toch niet opeten, he?" Daar schrikt de engel heel erg van. Waarom weet hij niet, maar dat woord ‘opeten’, dat is helemaal fout! "Nee! Dat nooit!" Daardoor kalmeert het jongetje en ze raken met elkaar in gesprek.

Poetry5a2a"Zeg eens," zegt het kind, "als jij niet weet hoe jij in mijn lichaam komt, en ik mis vier dagen van mijn leven, dan hebben we allebei een probleem. Zullen we dat samen gaan uitzoeken?" De engel hoeft hierover niet na te denken en antwoordt: "Waar zullen we beginnen?" Zonder dat ze het hardop uitspreken, wordt er op dat moment een verbond gesloten tussen de engel en het kind, en het initiatief daarvoor is van het kind uitgegaan. Mio, want dat is het kind, vertelt dat hij niet de enige is die vier dagen kwijt is en een raar litteken heeft. Bilifor stelt voor de anderen eens op te zoeken.

BurningangelNog in pyama springt de kind-engel uit het raam en landt veilig naast zijn fietsje. Hij trapt stevig door en slaat tegelijk met zijn vleugels zodat hij met enorme snelheid door de uitgestorven straten race’t. Hij passeert een taxi, die daardoor tegen een boom knalt. Bij het huis van Suzette, in de merenwijk, ziet hij een vreemd schijnsel uit het raam komen. "Suzette" roept hij. Een glorieuze gestalte, een meisje gehuld in gouden vlammen, reageert en komt naar buiten. "Ben jij ook al … ?" Ja, ook Suzette is bezocht door een engel.

Angel1Mio neemt haar achterop de fiets en samen racen ze naar de Hoflaan, waar Ab woont. Mio klimt in de lantaarpaal en gooit een steentje tegen Ab’s raam. Die reageert meteen. Hij heeft ze al aan voelen komen. Ssnova2Ab is ook veranderd. Zijn engel is van glinsterend zilver, het doet ze een beetje aan Terminator 2 denken. Snel komt hij naar buiten. Het is maar goed dat de Hoflaan om drie uur ’s nachts uitgestorven is, want drie engelen op een straathoek, dat ziet er wel heel opzienbarend uit!

Een nieuw avontuur

Miominmiojpg_1

Op de site van Don is te lezen over het nieuwe avontuur genaamd De Gouden Vlam, daar is het verhaal verteld vanuit de visie van de spelleider. Don schrijft mooi en ik houd zelf al het verslag van de Exalted campaign bij op mijn weblog. Is het dan nuttig om mijn kant van het verhaal, dus de visie van een van de spelers, ook nog eens aan de electronische snelweg toe te vertrouwen? Ach. Waarom ook niet?

Mio loopt op drie oktober over de kermis. Hij is acht en nogal klein voor zijn leeftijd, maar hij weet toch de meeste enge attracties wel in te komen. Hij is al in een ondersteboven ding geweest en in een naarbenedenstort ding, en nu staat hij bij de botsautootjes te wachten tot er een karretje vrijkomt. Voor wie Leiden op 3 oktober niet kent: het is de een-na-grootste kermis van Nederland en het feest trekt zo’n 100.000 bezoekers. Da’s echt enorm veel, zeker als je bedenkt dat de stad 120.000 inwoners heeft. Bij andere attracties staan de mensen netjes in de rij, maar bij de botsautootjes is het ieder voor zich. Er wordt regelmatig geknokt om een karretje en kleine kinderen worden rucksichtlos door oudere kinderen uit hun wagentje geduwd.

Terwijl Mio op een gelegenheid wacht, ziet hij een enorme kerel die zoekend heen en weer kijkt, zijn kant op komen. Het lijkt wel een figuur uit een tekenfilm, zeker 2 meter lang en anderhalve meter breed, met een vierkante kaak, littekens in zijn gezicht en een leren jack dat strak om zijn te gespierde armen spant. Een marokkaans jongetje ziet hem ook, net als een leids jochie met een blond matje en een trainingspak. Maar de rest van de mensen op de kermis reageert niet op de opvallende gestalte.

Een beeldschone vrouw met spierwit haar en een enorme bontmantel spreekt de kleerkast aan. Ze heeft twee lijfwachten achter zich, lange magere mannen met ratachtige gezichten. Het lijkt wel een tweeling. De vrouw merkt dat er een aantal kinderen naar hun staat te kijken. Ze loopt naar de botsautootjes en spreekt ze vriendelijk aan: "Hebben jullie mijn dochtertje misschien ook gezien? We zijn haar kwijtgeraakt. Ze is heel makkelijk te herkennen, want ze heeft net zulk haar als ik. Als jullie haar vinden, heb ik wel een beloning voor jullie." Het is een hele lieve mevrouw, maar de mannen zijn wel eng en Mio heeft 101 dalmatiers gezien. Hij vraagt of het een echte bontjas is, want hij heeft van zijn ouders geleerd dat bont alleen gedragen wordt door lieve dieren en gemene mensen. Ja, de bontjas is echt. Oei.

"Nee mevrouw, die hebben we niet gezien, maar we beloven ons best te doen." Het dochtertje is vast niet verdwaald, maar weggelopen. "Waar zou ik me verstoppen als ik op de kermis wil weglopen?" denkt Mio. Aan de achterkant van de attracties! Bingo. Achter de frietkraam zien we een troepje modetrutjes staan rond een heel klein bang meisje met spierwit haar. Kees, de jongen met het matje, spreekt de meiden aan, terwijl Ab, dat is de marokkaanse jongen, en Mio op de knieen gaan en het meisje bekijken. Ze draagt een juten zak, niet echt de kleren die je verwacht van een kind met zo’n deftige moeder. Van dichtbij zien zij dat ze een brede zilveren band om haar hals heeft. Ze zegt niets, maar het is duidelijk dat ze doodsbang is. Het is duidelijk niet in de haak. Na even heen en weer praten gaan drie van de meiden de kermis weer op. Maar Suzette, de leidster van het meidengroepje, is het met ons eens dat we het meisje uit de handen van de engerds moeten redden.

Het meisje krijgt Mio’s door-oma-gebreide trui en het petje van Ab, zodat ze minder opvalt. Via de steegjes proberen we van het kermisterrein weg te komen naar het huis van Kees. Op het moment dat we de brug oversteken, worden we helaas gezien door de kleerkast en we zetten het op een lopen. Op het Vrouwenkerkplein, schieten we cafe Het Praethuis in. Daar zijn brede motorrijders die bevriend zijn met de ouders van Kees. We krijgen cola en het meisje duikt onder de leestafel. 

Maar onze uitkijk ziet aan de overkant van het plein opeens de bontmantel verschijnen. Via een achterdeur glippen we weg en rennen de menigte weer in. Het meisje trekt ons mee totdat we bij water uitkomen. Ze lijkt iets in het water te zoeken, maar we weten niet wat. Door de stad lopend rusten we nog even bij het Oudemannenhuis aan de Herengracht en we besluiten dat we niet naar de politie moeten gaan, want die zullen het meisje toch maar aan de moeder meegeven. Mio onderzoekt intussen de halsband. Het ding zit heel strak. Van achter heeft het een heel ingewikkelde sluiting, die niet open kan. Aan de voorkant vindt hij een opening met een buis die haar luchtpijp ingaat. Vandaar dat ze niet kan praten! Als we dan aan de overkant opeens weer een van die ratachtige lijfwachten het Leger des Heils zien binnengaan, vluchten we snel verder. Bij het Ankerpark, waar het vuurwerk van vanavond wordt voorbereid, wordt het meisje enthousiast. Ze zwaait naar een aan de meelfabriek Meelfabriekaangemeerde rijnaak. Als de andere kinderen helpen en gaan roepen, komt er een bebaarde man in een schipperstrui tevoorschijn. Hij reageert blij verrast als hij het meisje ziet en roeit snel naar ons toe. We gaan snel aan boord. De oude man stelt zich voor als Ot. Hij heeft het meisje een paar weken geleden gevonden in het park, compleet met halsband zoals ze nu is en hij noemt haar Elise. Volgens hem is ze een engeltje. De dame in de bontmantel is niet haar moeder maar een zekere Celestine, een gevaarlijke vrouw die Elise dit heeft aangedaan. 

We bellen onze ouders om te zeggen dat we ‘bij een vriendje eten’. Ot nodigt de zwerver Hieronimus die in het park woont, uit om mee te eten en kookt stamppot met worst. Die voor Mio ook echt naar stamppot met worst smaakt. Voor de andere kinderen smaakt het naar hun lievelingseten. Ot wil weten of de kindrenen ergens in geloven. Kees en Elise geloven niet echt ergens in. Ab is moslim ‘maar niet zo erg’ en Mio zegt dat hij macrobiotisch is. Dan vertelt Ot de meest fantastische, boeiende verhalen. Na het vuurwerk, dat vanaf het dek fantastisch goed te zien is, belt hij een taxi om de kinderen naar huis te brengen.

De taxi rijdt door het nachtelijke Leiden en de kinderen zijn moe. Ze zijn blij dat alles goed is afgelopen en blij om naar huis te gaan. Maar opeens rijdt de taxi het terrein van het museum van Volkenkunde op, in plaats van de Binnenvestgracht waar Kees woont. De deuren worden opengerukt door de rattige lijfwachten van Celestine. De kinderen proberen te ontvluchten maar ze worden overmeesterd. Alleen Mio weet te ontkomen en hij rent huilend dwars door de feestende menigte heen naar zijn fiets die hier vlakbij aan een paaltje staat. Hij fietst zich de benen uit zijn lijf, terug naar de boot en gaat daar staan roepen tot Ot naar buiten komt. Ot heeft snel door wat er aan de hand is. Hij wordt woedend. Mio moet aan boord komen. De kapitein en Hieronimus gooien de trossen los en de aak vaart door nachtelijk Leiden over de Rijn naar het museum. Ze leggen aan bij het museum en Ot zegt tegen Mio dat hij aan boord moet blijven. Hij belt aan bij het huis achterop het museumterrein. Mio sluipt toch naderbij en hij ziet hoe Celestine open doet.

Ze maken ruzie, er klinkt een dof geluid en opeens valt Ot neer. Een paar van de ratten trekken hem het struikgewas in en dan gaat iedereen weer naar binnen. Mio sluipt voorzichtig naderbij. Ot ademt niet meer en er steekt een ingewikkeld bewerkt ijzeren staafje uit zijn borst. Hij is met een kruisboog van dichbij in zijn hart geschoten. Heel voorzichtig trekt het jongetje de pijl uit Ot’s borst en opeens … kuchend en proestend komt het lijk overeind. Mio gilt het uit. "Rustig maar, rustig maar." Zo kalmeert Ot het kind weer en dan zegt hij: &
quot;Kom mee. Hier moet nu een eind aan komen!"

De oude man loopt met het jongetje achter hem aan naar het huis. Hij trekt de deur uit de sponning. Binnen lopen ze direct door naar een zaal waar de andere kinderen verdoofd op stalen tafels liggen. Celestine en haar handlangers houden Ot tegen en Ot eist op hoge toon dat ze de kinderen loslaten. Vanuit de achtergrond komt een duistere gestalte. "Lucy, jij nam het altijd al op voor de kinderen. Maar deze confrontatie kun je niet winnen, dat weet je! En het kan zelfs het einde van de wereld worden. Wie heeft daar wat aan?" "Asmodeus, deze keer is ze gewoon echt te ver gegaan!"

Dan keert de oude man zich naar Mio en vraagt: "Mio, geloof jij?"

Mio denkt na. Hij gelooft niet meer in Sinterklaas en dus ook niet meer in god. Maar dan denkt hij aan alles wat hij vandaag heeft meegemaakt. Hij ziet weer voor zich hoe Ot dood neerlag en weer tot leven kwam. En dan zegt hij aarzelend: "Nu wel."

Ot reageert: "Dit gaat dus niet gebeuren!"

Bumper_carsDe kinderen staan weer op de kermis bij de botsautootjes. Ze weten dat een doodsbang meisje met wit haar zich achter de frietkraam gaat verstoppen.

Nieuwe campaign

Polimersation

Na afloop van de Escha campaign wil onze spelleider iets nieuws beginnen. Hij stelde voor om het spel "Demon: the Fallen" te gaan spelen. En als speciale twist wil hij dat we beginnen als kinderen. Het is al zo’n raar spel en dan dat ook nog. Het lijkt me een enorm leuke uitdaging. Ik ben heel benieuwd.

Elders op mijn log kun je een verslag lezen van een eerdere Demon-campaign bij een andere spelleider. Dat was ook best heftig psychodrama.