De valstrik

Gisteravond hebben we weer een sessie van het White Wolf spel Demon gespeeld. De speleider had al aangekondigd dat het een heftige ervaring zou worden en dat werd het ook. Het werd een sessie met hele extreme emoties: woede, afschuw, gruwel en teleurstelling.

Kort gezegd: er moeten vier offerrituelen uitgevoerd worden op vier verschillende plekken en we hebben een tegenstander die Armageddon in wil luiden door daar de gecorrumpeerde versie van uit te voeren. De offers voorkomen kan niet, daar is de tegenstander te machtig voor. Wat we wel kunnen doen is hem voor zijn en zelf het oorspronkelijke, zuivere ritueel uitvoeren. Een keer was hij sneller, twee maal waren wij hem te vlug af en dit was de vierde en laatste. Hij heeft de tijd gehad om alles voor te bereiden. Je weet dat je een valstrik ingaat en toch doe je het, omdat het zo belangrijk is.

Tot de tanden bewapend drongen we binnen in een laboratorium van een gecorrumpeerde afdeling van de Technocratie. Daar troffen we wreedheden aan die zelfs voor een stel demonen te erg waren. Eerst een cyborg, een stel volledig functionele menselijke hersenen gevangen in een uiterst beperkt robotje die alleen maar met pakketjes op een railtje heen-en-weer kon rijden. Het bleek een gepakte spion te zijn, een indringer die op deze manier werd gestraft. Dieper in het gebouw troffen we echte martelkamers, waar mensen tegen betaling andere mensen mochten folteren. (Daar is de score ‘Torment’ voor, dit is nooit de bedoeling geweest van de schepping. Om met de schepper te spreken: “Het spijt mij dat ik mensen heb gemaakt”.)
En daarna uiteindelijk het grote gevecht tegen een oude demon, heftig, heftig… Maar we hebben hem verslagen. Dit was nog niet de grote slechterik, maar wel een van zijn belangrijkste medewerkers. En hier heb ik mezelf en mijn party-genoten versteld doen staan. In een daad van woede heb ik zijn essentie opgeslokt. En nu zit deze oude demon diep in het onderbewuste van mijn personage. Wordt het ooit een geheel of zal er een strijd om de hegemonie komen, die ik best nog wel eens zou kunnen verliezen?

We komen bij de laatste zaal, waar de offercirkel al klaar ligt. Maar de zaal is verder leeg. En ja, het was een valstrik. Een van ons kan een beetje in de toekomst zien en roept “Wegwezen!” Maar 5 tellen later ontploft de hele zaak. We waren kansloos.
Het akelige is, dat als hij me niet had gewaarschuwd – of had gezegd dat we maar een paar seconden hadden – ik de cirkel was ingelopen en dan had ik het offer kunnen brengen. Dan waren we ook dood gegaan, maar hadden we in ieder geval gedaan waar we voor kwamen.

Gelukkig is dit nog niet het einde van het spel, demonen krijg je niet zo gemakkelijk kapot. Maar dat is een ander verhaal.

Hulde aan de witte ridder

Ik ben al een tijdje op zoek naar plaatjes van zoals ik mij de diverse personages voorstel in Dungeons and Dragons en andere rollenspelen. In de vele verzamelingen van japanse manga plaatjes op het internet zijn erg veel meisjes te vinden en niet zo heel veel mannelijke personages. Dus daarvoor is het best lastig.
Deze heeft wel de uitdossing van een witte ridder, maar hij is ietsje te ‘cute’ naar mijn smaak om Djenga te kunnen zijn. En in mijn verbeelding heeft Djenga donker haar…
Dan is het dus een andere witte ridder

(Hoewel, de horror waar we nu in zitten is genoeg om inderdaad wit haar van te krijgen.)

Uit de dood herrezen

OK, de party is verder gegaan in de necromantische gangen vol ondoden. De muren en plafonds zijn bedekt met reliefs die aan botten en organische structuren doen denken. Een kille mist bedekt de bodem tot onze knieen. Van alle kanten vallen de geesten ons aan. Onze cleric, die ondood geworden was, is depressief.

Een rustpuntje. De windheks waait de mist weg. De mist waarvan we denken dat het de ondoden animeert. Ik weet wat er gedaan moet worden, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen. Onze paladijn wel, hij ziet zijn kans. Hij kan het wel. Hij mept de ondode cleric in drie welgemeende klappen helemaal aan gort. En dan pak ik haar magische bol, dat is een van de zeven krachtigste objecten die er zijn. Je kunt er namelijk iedere toverspreuk mee nadoen, maar ik weet alleen niet precies hoe het ding werkt en ik heb de verkeerde ‘alignment’. Voor stervelingen is de kost bovendien extreem hoog. Eigenlijk mogen alleen de goden ermee spelen.

“Gooi maar een spellcraft check om te kijken of het lukt. De moeilijkheid is 28. En als je het niet haalt kost het 1000xp per punt dat je onder de 28 uitkomt + de normale kosten van 1 punt constitutie per niveau van de spreuk.” Ik heb op zich +12 spellcraft wat niet slecht is voor een priesteresje en ik word geholpen door het gezang van onze barden, dat geeft +2. Dus ik moet een 14 gooien op een d20. Een kans van grofweg 1 op 3 — spanning — gooi — 12 Neeee… 2000 xp kwijt, ze blijft dood en ik verlies 7 punten constitutie.

Gelukkig is “Luck” een van de domeinen van mijn lieve godin. Ik mag 1x per dag een dobbelsteenworp overdoen. Normaliter vergeet ik dat maar nu denk ik er aan. Als ik er voor kies om over te gooien, geldt die tweede worp. Het leven van mijn vriendin hangt er van af. Maar ook, als ik er voor kies om het hierbij te laten kost het me 2000xp, gooi ik lager (3/5e kans!) dan ben ik meer kwijt. Ik waag het er op. — tromgeroffel — 18!!!

Ze is er weer! Ik ben 7 punten constitutie kwijt, wat zich vertaalt in 52 hp permanent minder. Ja, je kunt doodgaan aan dat ding! Maar, wat heb ik het er voor over.

But what if there are more zombies?

There are always more zombies!

Vrijdag mogen we weer de gangen vol met ondoden in.

Als cleric van de godin van de liefde mag mijn karakter niemand pijn doen, behalve in zelfverdediging. Dat is een gebod waar ze nogal eens moeite mee heeft, zeker als haar kind in gevaar is of als de party weer eens iets doms doet. Maar bij de weinige gelegenheden dat de tegenstanders geen gevoel hebben, zoals tegen elementals of ondoden, gaat ze dan ook los. Dit is waar mijn karakter goed in is, ondoden kapot maken. Er zit toch best wel een gewelddadig trekje in haar.

Wat zegt dat over mij? Het is best wel een deel van mezelf. Rollenspel is een goede manier om de frustraties van het dagelijkse leven af te reageren. Als ik een hele week problemen heb gehad, lastige collega’s, ruzies, clienten met akelige ziektes, dan doet het goed om eens ongenuanceerd het kwaad te lijf te gaan.

Dodenstad

Dungeons and Dragons gisteravond. De avond begon al onder een verkeerd gesternte. De gastheer had griep, de gastvrouw ischias. De party avonturiers loopt in een vreemd gangenstelsel, vol met skeletten en stenen tombes. De muren en de vloeren zijn ‘versierd’ met botmotieven. Een klamme dikke mistlaag kolkt om onze voeten, waardoor we niet zien waar we lopen. Af en toe komt er een paar ondode monsters uit de grond, maar die zijn vrij zwak en gemakkelijk te verslaan door onze paladijn. In een stevig harnas, met het heilig symbool van de liefdesgodin in de hand en gewapend met de specialistische kennis van een necromantier, loopt mijn cleric voorop. Het gaat goed. Tot dat ene kamertje…
Die grondmist komt inmiddels tot de knieen. Ik open een deur en ga een kamer binnen. Maar … er is geen vloer. Ik val in het water. Niet alleen het gewicht van mijn harnas trekt me naar beneden. Tientallen skelethanden grijpen me vast en ik kan me niet losrukken. Ik wordt meegesleurd over de bodem. Onze windheks duikt me achterna en grijpt me vast, de bard heeft de heks vast, maar samen zijn ze niet sterk genoeg om mij er uit te krijgen. Ik kan geen adem krijgen en denk: ‘OK, nu ben ik er geweest.’
Maar gelukkig, we hebben nog een cleric in de party. De skeletten worden door ons kruidenvrouwtje verdreven. En met vereende krachten wordt ik uit het stinkende water gesleurd. Ik leef nog. Pfff…

Een gang verder komt ons weer een ondood creatuur tegemoet. Ik houd mijn heilig symbool omhoog en het monster deinst terug. Zo hoort dat tenslotte. Maar ons kleine kruidenvrouwtje rent er op af en gaat het creatuur met haar staf te lijf. Inmiddels komt een tweede exemplaar tussen haar en de rest van de party in en wij kunnen er niet langs. Twee klappen later valt ze neer.
Onze paladijn maakt verder korte metten met het ene monster en ik met de andere. Dan ran ik op mijn gevallen kameraad af om haar te genezen. Ze krabbelt net overeind, gelukkig, ze is niet dood.

Maar ik kan haar niet meer genezen, haar hart slaat niet meer en de ‘detect evil’ van de paladijn bezorgt hem hoofdpijn als ze in de buurt komt. Nee, dood is ze niet. Ondood.

Wat nu?

Inu Yasha

Toen de Belgische rollenspelvereniging Eternica overging op een nieuw spelsysteem en ik inmiddels vond dat ik aan een vers karakter toe was, kwam ik dit plaatje van de Japanse tekenfilmheld Inu Yasha tegen. De tekenfilms kende ik niet, maar het poppetje sprak me wel aan.

Een paar jaar geleden kocht ik een rode leren wapenrusting bij een Amerikaan, die inmiddels niet meer in de business zit. Ik heb daar een witte pruik bij aangeschaft, waarvan iedereen vindt dat ik gek ben dat ik die een heel weekend draag. Vandaag realiseerde ik me opeens dat ik al jaren een kapotte Afrikaanse ketting met zwarte kralen (gedroogde bessen), leeuwennagels en een klauw van een roofvogel, in de kast heb liggen. Ik ben de hele middag bezig geweest de ketting opnieuw te rijgen.

Het was niet mijn intentie om het personage Inu Yasha te recreeren. Ik lijk ook niet. Maar het ging mij er om door de combinatie van kleuren: rode kleding, wit haar en zwarte details, een bepaald effect te sorteren.

Na de serieuze, wereldreddende ridder Nandor, speel ik nu de Vos. Een schelm, inbreker, charmeur en schuinsmarcheerder.