Wraith sessie 1 – vervolg

Op 1 mei 2006 samengevoegd met Wraith sessie 1.

Advertenties

Wraith sessie 1

Een dag als alle andere. Het legioen heeft een kampement aan de rivier de Rijn, bij het dorpje Matilon. Marius, een jonge legionair, is klaar met het graven van nieuwe latrines en hij gaat naar zijn tent. Hij schopt zijn sandalen van zijn voeten en laat zich op zijn bed vallen. naast zijn hoofdkussen staat een klein tafeltje met een stokoud bronzen beeldje. Vanuit zijn veldfles giet hij een beetje water in het schaaltje dat er voor staat. “Wijn heb ik niet, je moet maar drinken wat ik ook drink.” Hij kijkt naar de massive gouden ring aan zijn vinger, het enige wat er nog rest van de glorietijd van zijn familie. “Waarom moet ik latrines graven? Ik ben geen plebs! Ik ben equites, een burger, lid van een van de honderd tribes van Rome. Ooit waren jullie patriciers. Jij had vast honderden van dit soort sieraden. Hoe zijn we ons fortuin verloren? Waarom moet ik latrines graven in een koud en nat district, ver van Rome?”

Het offertje, hoe klein ook, is effectief en Septimus ontwaakt uit zijn sluimer in de schimmige wereld waar de doden huizen. Hij hoort de klacht van zijn nazaat en voor de zoveelste keer vervloekt hij het feit dat hij niets terug kan zeggen. Is Marius de pijl vergeten die voor zijn hart bedoeld was en die Septimus met uiterste wilsinspanning opzij had weten te duwen? Hij weet dat marius hem niet zal horen “Een mooi litteken, dat doet het goed bij de meisjes. Plus vier weken verlof en een maand extra soldei. Dat zijn toch dingen waar een soldaat blij mee moet zijn. En ja, als je dan bij het regiment terugkomt, dan ben je even de pineut. marius moet niet zeuren. Ik bescherm jou en voor jou je vader en al je voorvaderen die voor jou mijn ring droegen, al driehonderd jaar! Al drie eeuwen heb ik zeker gesteld dat er een zoon geboren wordt om legionair te worden, en dat blijf ik doen totdat het fortuin zich keert!”

Hij stapt door de stoffen wand van de tent heen. Om hem heen is in het naargeestige halflicht de schaduw van het legerkamp te zien. Er zijn hier maar weinig geesten. Het is een uitgestorven land want de doden van de kaninefaten hebben hun eigen plekje vlakbij hun barbaarse begraafplaats. Alleen Roetkop, bij leven smid, hangt nog wel eens bij het legerkamp rond. Zijn haat strekt zich niet uit tot dode romeinen, alleen de levenden haat hij. En daar is Lydia, een deftige matrone uit Rome die in het kraambed is gestorven. Net als Septimus is zij met het leger meegekomen. Zij beschermt haar zoon, een zeventienjarige nietsnut die in de zelfde eenheid zit als Marius. En dan is er Freki, die denkt dat hij een weerwolf is. Zelfs de doden hebben behoefte aan gezelschap en dit viertal heeft elkaar gevonden.

Maar nu staat er een nieuwkomer naast de vuurplaats. Een griek zo te zien, met een kuras dat zelfs toen Septimus leefde niet meer gebruikt werd. Een oude geest dus, respect waardig. Hij stelt zich voor: “Darius is mijn naam, gezant van Stygia, de dodenstad. Ik spreek namens de raad en namens de raad nodig ik jullie uit om mee te komen naar de stad.”
Septimus heeft van Stygia gehoord, maar is er nooit geweest. Oude geeesten die geen binding meer hebben met de levenden gaan daarheen. Met zijn drie eeuwen is hij zelf weliswaar een oude geest, maar wie nog gebonden is aan het aardse bestaan heeft daar weinig te zoeken. Nochtans, een uitnodiging van de raad sla je niet af.

Darius opent een doorgang van de schaduwwereld naar de diepere regionen van de onderwereld. De hachelijke tocht door de eeuwigdurende storm die daar woedt wordt ze zo bespaard. En ze arriveren in Stygia, de eeuwige stad die bestaat uit alle verwoeste steden. Van de muren van Jericho tot de paleizen van Troje, van de lemen hutten van Catal Hujuk tot de villawijken en markten van Pompei, dit is de plaats waar steden heengaan om te sterven.

Darius, de gezant van Stygia, neemt ons mee door de dodenstad. We lopen langs de vergane gebouwen, de pracht van vergeten beschavingen en vreemde volkeren omringt ons aan alle kanten. maar het is geen geruststellende plek. Grote muren beschermen de stad tegen de storm van gekwelde zielen die er omheen giert. Gebouwen staan lukraak op elkaar gestapeld, overal is drukte en rumoer en alles is nog grijzer en troostelozer dan de schaduwwereld waar we vandaan kwamen.

Als we bij de raad aankomen, worden we begroet door Charon, de gids van de doden, en een drietal andere oude geesten. Zij heten ons welkom en bieden ons een opdracht aan. eerst vertellen zij ons dat bij Matilon, de plek waar wij ‘wonen’, op onregelmatige momenten een tempel verschijnt. Daar zijn zij nieuwsgierig naar. Maar dat is op zich niet de opdracht. Waar het werkelijk om gaat is dat de doden zich zorgen maken over een groeiende groep magiers onder de stervelingen. Zij zijn bang dat wanneer deze magiers ongestoord hun gang kunnen blijven gaan, zij de macht zullen grijpen over de wereld en een schrikbewind zullen vestigen zoals dat er in het verleden al eerder is geweest. Zij vertellen ons over het ‘impergium’, een periode waarin de mensheid niet meer dan vee was voor weerwolven en andere roofdieren. Om een voorbeeld te geven van waar deze magiers toe in staat zijn, vertelt Charon dat het magiers waren die de Vesuvius hadden doen uitbarsten. Hierdoor schrikt Septimus wakker: het was niet de wil van de goden, maar van mensen dat zijn leven en zijn nalatenschap verwoest was?! Hij zweert wraak te nemen! De anderen accepteren ook de opdracht om wat aan de megierrs te doen. Maar, wat kunnen spoken als wij aanrichten?

Dat nu zal Darius ons tonen: hij opent een scheur tussen de werelden en neemt ons mee naar de wereld van de levenden. In een grote stap zijn we in Rome, onder de zon! Ik ben ontroerd. Sinds mijn dood heb ik de zon niet meer gezien, want in de schemerwereld is geen zon.

Wij zijn spoken, de stervelingen zien ons niet. Darius neemt ons ee naar een plek waar vier oude mannen zijn. Dit, zo zegt hij ons, zijn de aanstichters van de uitbraak van de Vesuvius. Het zijn inderdaad magiers, want zij hebben ons door en sturen een barghest, een monster gemaakt van een dode ziel, op ons af.

WMD proloog – De dood van Septimus

Lang, lang geleden zat Septimus Severus op een bankje in zijn tuin. Hij keek uit over de wijngaarden op de helling van de Vesuvius en bedacht hoe goed hij het had. Septimus was volgens alle maatstaven een oude, wijze man. Hij was al 76 jaren op de wereld en hij hoopte er nog vele mee te maken. Hij was tevens, en dat is nog veel zeldzamer, een gelukkig man. Hij was ondanks zijn leeftijd nog steeds goed gezond en zijn hele lieve vrouw leefde nog, hoewel zij intussen behoorlijk vergeetachtig begon te worden. Zij hadden samen vele kinderen en nog veel meer kleinkinderen, een groot aantal slaven en de beste wijngaard van de romeinse wereld. Hij was welgesteld, maar niet zo rijk dat hij zich met de landspolitiek moest bemoeien, ja, Septimus was een tevreden man.

En toen brak de vulkaan uit.

Septimus kwam natuurlijk om in deze conflagratie. Zijn lijk is bijna tweeduizend jaren later gevonden in een schuilkelder. Zijn jongste kleinkind probeert haar gezichtje in opa’s baard te beschermen tegen de hitte en de giftige dampen. Een gipsen afgietsel van de holte die zij samen achterlieten in de vulkaanas is op dit moment nog te zien in Pompei.

Septimus was in een verschrikkelijke klap alles kwijt: zijn vrouw, zijn welstand, zijn dynastie … zijn leven. Septimus was een spook, een boze geest. Alles wat er restte van de dingen waar hij trots op was waren: een enkele druivenstok die als door een wonder alles overleefd had; zijn oudste kleinzoon die legionair was; en de zegelring die hij zijn kleinzoon had geschonken. Deze drie dingen waren de foci waaromheen het spook van Septimus zijn bestaan weefde. In de gedaande van een verbrand skelet toonde hij zich soms in dromen aan zijn nakomeling. Boosaardig was hij niet, maar wel heel bezitterig. En hij stuurde de lotsbestemming van zijn drie foci zeer subtiel. De druif was de zinfandel, die later in Gallie groot werd en vlak voor de grote druivenziekte naar de Amerika’s verhuisde. De zegelring heeft alle eeuwen overleefd en ligt nu in een museum, de inscriptie in de rode steen afgesleten tot een onherkenbaar vage uitholling. En zijn nageslacht heeft alle eeuwen overleefd. Maar dit is niet hun verhaal. Zij komen er wel in voor, maar dit is het verhaal van de gevolgen van de dood van Septimus Severus. Van het spook, de tovenaar en die demon die gewekt werden door het lijden van de geest van een wijze oude man.

De finale

Gisteravond was de de laatste sessie van ons Demon the Fallen rollenspel. Het thema was “Is redemption possible?” We hadden om 12 uur kunnen besluiten volgende week door te spelen, maar een van ons kon die avond niet, daarom hebben we doorgespeeld tot half drie ’s nachts.

Vorige sessie is iedereen zijn host-lichaam kwijtgeraakt en we hebben allemaal nieuwe karakters gemaakt: een dysfunctionele familie. De opdracht was om in het reine te komen met wat deze hufters allemaal hebben uitgespookt voordat ze bereid waren hun ziel te verkopen. Dat was erg leuk om uit te spelen, verwijten van vader naar zijn kinderen, onderlinge rivaliteiten en ander intens rollenspel wat opeens een heel nieuw licht op je karakter werpt. Maar ze hebben dus maar 1 avond geleefd.

We hebben ons nu eens een keer goed voorbereid. We hebben magische voorwerpen gestolen uit diverse musea: een samuraiharnas en een katana uit het Sieboldhuis en een gezegende Spaanse karabijn uit de Lakenhal. En zelf hebben we charms gemaakt met genezende krachten. Zo uitgerust zijn we er uiteindelijk in geslaagd de Tempel te bereiken, die werd bewaakt door allerhande onderlingen van onze grote nemesis. Er is gevochten met midnight children, bane-spirits en met een andere demon. Het waren heftige gevechten, maar uiteindelijk wel te doen.

En dan de Tempel in. Onze tegenstander was bezig allerlei magische vierkanten te activeren om zo een poort te openen. Wij wisten intussen dat het geen goede zaak zou zijn als hij daarin slaagde omdat allerlei voorspellingen er voor waarschuwden dat dan de Wyrm, de grote godheid van verval en corruptie, onze wereld zou worden binnengelaten. Wij zijn direct naar de centrale hal gesneld. En daar hebben we, met hulp van de aantekeningen die we hadden gevonden, het centrale patroon geactiveerd, vlak voordat de grote slechterik binnenkwam.

En toen opende zich de hemel. De Apokalyps! Een stralend licht scheen door de Tempel en brandde langzaam alle ‘torment’ uit ons weg. De wereld werd beschenen en gerepareerd, de schepping werd hersteld en vrede keerde weer op de aarde. De geesten van de overledenen verlieten de onderwereld en stegen op naar de hemel. Armageddon was voorbij…

En diep, diep onder ons stonden de verzegelde poorten van de Abyss. Aan ons de keus: durf je het aan om alle demonen uit de hel los te laten op de nieuwe wereld? Je hoopt op redemption, maar houdt ook rekening met de mogelijkheid dat ze de wereld juist ten gronde richten. Of laat je ze opgesloten, terwijl je weet wat dat met jou zelf gedaan heeft?

We hebben het zegel verbroken en de poorten van de hel geopend. En alle demonen kwamen naar buiten, als creaturen uit een schilderij van Jeroen Bosch. Het laatste oordeel brak aan . . .

The devil you know…

In m’n vorige berichtje over het spel Demon the Fallen schreef ik al dat een demon niet gemakkelijk te vernietigen is. Onze lichamen zijn kapot gegaan in de explosie van het laboratorium en onder ‘normale’ omstandigheden gaat een demon linea recta terug naar de Abyss wanneer zijn host-lichaam sterft. Gelukkig heeft de spelleider er voor gezorgd dat er direct nieuwe gastlichamen beschikbaar waren.

Nu is dus de opgave om hetzelfde personage te spelen, maar met de herinneringen van heel iemand anders. En dan heb ik ook nog eens in een aanval van kannibalisme de ziel van een ‘earthbound’, een duivel die al eeuwen op aarde rondspookt, opgeslokt. dat is bij mijn weten overigens in dit spel de enige manier om een einde te maken aan het bestaan van een engel of demon. Dus … een nieuw personage met nieuwe herinneringen, de herinneringen van mijn vorige gastlichaam, de herinneringen van de twee voorgaande incarnaties (Wraith en Mage) van dit personage en alle akeligheid van een heel boosaardige eartbound.

Een uitdaging zal ik maar zeggen.

Engeltje ?

Dit plaatje kan zo uit mijn karakter uit het spel Demon voorstellen. Ze heeft pas onlangs voor het eerst een sessie gespeeld zonder vreselijk verwond te worden. Aanstaande donderdag mogen we weer.

OK, het plaatje klopt niet helemaal. Mijn vleugels zijn wit.