Tanais 73 1/2

Intermezzo: Claude in de onderwereld

24-vi-R2
Claude is met drie van zijn brahmanen aan het verkennen. De brahmanen worden door de overige spelers gespeeld. Singh heeft zich gespecialiseerd in helende magie, Huib kan dingen met planten en elementen en Yann beheerst aanvallende en beschermende spreuken.

Met zijn vieren rijden we te paard over de Oude Bosweg. Het ene moment rijden we nog, het andere vallen we naar beneden en bevinden we ons in een naargeestig landschap.
Verderop zien we een groot leger. Het bestaat uit humanoïde wezens, githyanki, veel langer dan mensen, graatmager en met blauw of zwart haar. In de voorhoede herkent Claude één van de negen demonen. Het is duidelijk dat het de bedoeling was om ons leger hierheen te transporteren en dan in de pan te hakken. Maar met ons vieren is het niet moeilijk om buiten het zicht te blijven. Voorbij de legermacht zien we enorm hoge muren van een grote stad. We maken een omtrekkende beweging. Er zijn geen sterren, het is een grote wereld en we moeten niet de verkeerde kant op lopen. Er is een onaards nachtlicht, daardoor kunnen we toch zien.
We vinden een ‘bosje’ van stenen boomachtige kristallen. In eerste instantie is het niet mogelijk om in contact te komen met Pashupati. Maar Claude stelt voor om onszelf in de bomen te hangen en zo de nacht mediterend door te brengen. Het lukt niet om het bosje te wijden, maar Claude’s teken van devotie stelt de godheid toch in staat om zich te manifesteren. Hij kijkt vies: “Zo vrienden, hebben jullie een klein foutje begaan? Nou ja, jullie zijn ontbeerlijk. De tijd dat brahmanen het voor het zeggen hadden is over. Wen maar aan jullie nieuwe koning en de vreemde machthebbers. Maar goed, wat willen jullie van me?”
Claude zegt: “We zitten in de Abyss en weten niet hoe we er uit moeten komen.” “Ik neem in de stad een portaal waar. En dit is niet de Abyss, het is te ordelijk daarvoor. Er is een gebrek aan creativiteit. Nehal Nemar is wel een creatieve geest. Hij heeft jullie hier naar toe gestuurd. De As van het Kwaad. Ze werken allemaal samen. ”
Als de god weer is vertrokken, gaan we op weg in een ruime bocht om het leger heen. De githyanki zien er zo niet-menselijk uit dat wij ons niet als hen kunnen vermommen. Het landschap is leeg en stil, uitgestorven. Als we het leger bijna zijn gepasseerd, komen we langs een open groeve waar mensen rondscharrelen. Ze dragen lompen die vaag herkenbaar zijn als Soulfield kleding. We zien geen opzieners, alleen losse eenzame werkers die kristalknollen opgraven. We scheuren onze kleren en maken ze vuil. Singh loopt op een werker af en spreekt hem aan. De man is uitgemergeld en oud voor zijn jaren. Hij staart met een lege blik en murmelt onbegrijpelijk als hij wordt aangesproken. Singh ziet dat hij een versleten riem draagt waar een Eenoog-insigne van af gehaald is. Singh krijgt de indruk dat de man hem ergens voor probeert te waarschuwen. “Jaja, er is een leger. Ze zijn eng.” Singh verlost de man uit zijn lijden en trekt diens lompen aan. Hij neemt de kruiwagen met kristalknollen en sjokt richting de stad. De anderen jatten ook kruiwagens en voldoende knollen om ze vol te krijgen.
In de verte horen we rumoer: gezang, wapengekletter, het gestamp van legerlaarzen. De kruiwagensporen convergeren naar de stadspoort. Van dichtbij zien we dat de muren van de stad vijftig meter hoog zijn en van glad, naadloos obsidiaan. In de stad steekt een enorme smalle naald omhoog. De poort is gesloten. Naast de poort is een kuil vol met de mineraalknollen. We legen onze kruiwagens en blijven nog even rondhangen. Dat is blijkbaar verdacht, want er wordt opeens brandende pek naar beneden gegooid en er worden pijlen op ons afgeschoten. Huib wordt geraakt. We rennen weg. Als we eenmaal buiten schot zijn geneest Singh de wonde.
Bij een stuk muur waar op dit moment geen bewaking lijkt te zijn klimt Claude met Spider Climb omhoog, terwijl Huib Air Walk doet zodat de brahmanen ook omhoog kunnen. Boven zien we een paar van die wezens met de rug naar ons toe zitten. De muur is zo’n vijftien meter breed. We passeren ze snel. Beneden is een uitgebreide stad met afgebakende domeinen. We komen aan in een gehucht binnen de stadsmuren. Hier wonen mensen, maar ze zien er heel anders uit dan de armzalige sloebers bij de steenknollenmijn. We zien kooplieden in veelkleurige gewaden, maar ook vrouwen en kinderen van het niet-aardse volk. De twee rassen mengen niet.
Claude vindt het tijd voor een Flawless Disguise en de brahmanen gappen kleren van een kleermaker, die door Claude wordt gedood. Het kost een beetje moeite om goede combinaties te vinden, maar we denken dat het wel gelukt is. Een alien kind loopt tegen een van ons aan. Het kind kijkt verbijsterd. Claude zet hem overeind en geeft hem een schouderklopje. Het kind kijkt nu alsof hij water ziet branden. Een schop onder zijn kont werkt beter.
Op zoek naar de poort. We spreken de taal niet en krijgen wat vreemde blikken. Er zijn ook trappen naar beneden. Daar vinden we nog veel meer winkels en huizen. Het is een driedimensionale stad.
Tegen de tijd dat we zo’n twintig uur op deze vreemde wereld rondlopen horen we opeens dronken gebral. De poorten van de stad worden opengetrokken en de mannelijke githyanki komen de stad weer in. Het is tijd voor ons om van de straat te verdwijnen. We zijn ook uitgeput en over’nacht’en in een leegstaand huis.

25-iv-R2
Ergens laat in de middag worden we wakker. Er loopt weer van alles op de straat. We zoeken een kaartenwinkel en letten speciaal op mensen met Eenoog symbolen. Na vier uur vinden we een kaartenwinkel, en daar staat nota bene ook nog iemand met zo’n symbool met de eigenaar te praten. We kopen een stadskaart en volgen de eenoger. Na een kwartiertje komt hij bij een herberg. We volgen hem naar binnen. Hij bestelt een mineraalknol met maden, brr. En een glas van iets wat op bier lijkt. Hij gebaart er wat overheen en we herkennen het als een magische ritueel om het eetbaar te maken. Singh kent dat ritueel ook. We bestellen bier en maken een praatje met de man. Hij heeft ons snel door, herkent ons aan onze tongval als brahmanen. Hij blijkt onze gedachten te kunnen lezen. Maar Pashupati is voor hem een van de minder onsympathieke goden en hij wil wel met ons praten. Hij is hier nu zes maanden. “Over een paar maanden zit mijn tijd hier er op.” Voor hem is het verblijf in deze stad een eer, een belangrijke leerplek. Claude laat de herinnering aan zijn periode in het kamp onder de Hoogzetel in zich omhoogkomen. Hij doet een poging om ons over te halen om zijn kant te kiezen. “Bij de brahmanen zitten is ook niet alles,” merkt Huib op.
Op een vraag over de knollenplukkers legt de man uit: “We hebben een systeem van punten. Wie te ver wegzakt in de gevolgen van zijn eigen daden, zakt zo diep dat hij hier terecht komt.” Na een opmerking over dat het eigenlijk stupide is dat degeen die de valstrik heeft gemaakt geen rekening hield met verkenners, zegt hij: “Dat heeft meer te maken met prins Twee van Negen dan met Nehal Nemar.”
Dan vraagt hij: “Waarom zou ik jullie niet gewoon uitleveren?” Claude antwoordt: “Ik probeer juist te infiltreren in Bronwë.” “Als jullie willen samenwerken, de deals die hier gesloten worden, kunnen geheim blijven. Ik kan jullie laten delen in de weldaden van Eenoog. De legers zoeken vijanden van Eenoog (Claude voelt dat dit een halve waarheid is), maar als jullie geen vijanden zijn… wat voor ruilhandel kunnen we opzetten?” Hij kijkt Claude aan, “Jullie hebben geen ambassadeur van ons in Bronwë? Het is heel nuttig om een ambassadeur te hebben. Jullie kunnen een ambassadeur aan ons sturen en dan zal ik die van Eenoog zijn.”
Claude: “Dat bepaalt de koning.”
“Jij bent niet minder dan de koning, Claude. Jij bent één van die enge wezens die overal gevreesd worden en je zit hier gevangen. Ik kan een Qartiaans contract opstellen. Dan krijg jij wel op je kop, maar er is toch niets meer aan te doen.”
We gaan akkoord. De voorwaarden zijn simpel: wij hebben het recht om een ambassadeur te plaatsen, met alle rechten, en hij wordt ambassadeur bij ons. In ruil neemt hij ons mee naar onze wereld.
Gnumpathy, zo heet hij, stelt het contract op in het Qartiaans en Claude tekent. Binnen vierentwintig uur gaan we op pad. Huib ondervraagt hem. Vóór Eenoog is hij al op meerdere planes geweest. Elsewhere is de meest intrigerende. Dat is de navel van de werelden. Daar komen alle magische dingen vandaan. Hij is nog niet zo lang bij Eenoog, en hij is heel snel in de rangen gestegen.

26-vi-R2
Gnumpathy komt ons ophalen met een aantal ‘handelslieden’. “We moeten jullie blinddoeken. Eenoog heeft een eigen uitgang, anders dan die van de prins en die van Nehal Nemar, en we willen niet dat jullie weten waar die is.”
Een lange wandeling – magische waas – BZZZzzz – en dan worden de blinddoeken afgenomen. Claude herkent waar we zijn. We staan op het Oude Bospad net buiten de poort van de benedenstad van de Hoogzetel. We krijgen paarden mee en een vrijgeleide.

27-vi-R2
We komen aan bij Bronwë. Claude regelt een huis voor Gnumpathy in de tweede ring van de ambassadeursstad. De ambassadeur van Soul kan in de derde cirkel van de Hoogzetel plaatsnemen. Singh is wel bereid om die functie op zich te nemen.

3 xp

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s