Tanais – 40

11-iv-R1
Gwan komt in het donker aan bij Shearton. Voor de stad is een heuvel met krotjes en bovenop een paar fakkels. Hij negeert de heuvel en rijdt door naar de stadspoort. Die is al gesloten en als hij aanklopt hoort hij een stem van boven: “Wie is daar?” “Goed volk.” “Goed volk kennen wij niet. Wie ben je?” Hij stelt zich voor als Gwan, administrateur van de koning. Ze reageren spottend: “De Koning? En wie is de enige god?” Gwan moet lachen. De wachters snappen niet wat hij zo grappig vindt en de brahmaan die met Gwan meereist al helemaal niet: “Dit is niet goed. Dit klinkt als éénoog. En ik ga niet liegen, ik ga niet de stad in door mijn geloof te verloochenen.” Gwan zegt: “Er is niet één god.” Hij krijgt een pleepot over zich uitgestort en de poort blijft dicht. Daarna gaat hij maar het grindpad op tussen de krotten door naar de top van de heuvel. De fakkels verlichten twee kruisen waar mannen aan hangen. Zonder iemand aan te spreken gaat hij een half uurtje terug langs de route waarlangs hij naar de stad kwam en slaat kamp op op een veilige plek. Hij passeert nog en paadje naar het Noorden, maar dat negeert hij.
Chang en Risha doen die avond niks bijzonders. Chang gaat kijken hoe het met Daguerre gaat. Ze knapt al aardig op, is vrolijk en babbelt.

12-iv-R1
Claude gaat verder boten bouwen. Jarin traint boogschutters. Om zeven uur houdt Chang appèl en traint Adrarn. Risha geeft zijn volgelingen wat quality time.
Gwan reist weer naar Shearton. De poort is nu open. Er staan twee wachters (niet dezelfden als vannacht). Ze stellen dezelfde vraag en Gwan antwoordt: “De god van de shintasta?” De deur wordt in zijn gezicht dichtgesmakt. Hij wacht totdat die weer open gaat. Na een uur wordt er iemand in een oranje gewaad en met een kaal hoofd naar buiten geknikkerd. De poort gaat meteen weer dicht. De man trekt zijn kleren recht en loopt weg. Gwan stelt zich aan hem voor en vraag wat er is. “We zijn niet meer welkom. De mannen van Eenoog hebben de macht gegrepen. Ze hebben de Revolutionaire Raad gekruisigd. Eerst kwamen ze voor handel, ze brachten welvaart en toen begonnen ze eisen te stellen. De Revolutionaire Raad wilde de oude goden weer invoeren. Tsja, maar om ze daar nou voor te vermoorden… Niet iedereen hangt Eenoog aan, maar wij zijn niet meer welkom.” De monnik nodigt Gwan en de brahmaan uit om mee te gaan naar het klooster. Ze slaan het paadje naar het Noorden en komen bij een leefgemeenschap van monniken. Ze zijn inderdaad bevreesd voor een aanval van Eenoog. Er zijn volgens hun overigens ook meer shintasta in de stad dan normaal. Er is een levendige handel in hout en schapen. Gwan vraaagt aan een paar monniken die daar zitten te mediteren of ze een visioen voor hem kunnen vragen. “Meneer, ik wil u niet uit uw comfortabele bestaan halen, maar visioenen zijn toch echt illusies. Wilt u een kopje thee?”
We gaan verder met Claude. Hij is mensen aan het opleiden. Tussen de werkzaamheden door bouwt hij aan een duikklok. Hij kijkt ook nog even naar de keukencatamaran. Die is nog in prima staat. Als hij weer terug komt bij de werklui treft hij Célène Granchère, de ambassadrice van Vixen. Ze vraagt wat ze aan het doen zijn. “Een boot bouwen. Waarom wilt u dat weten?” “Ik zoek overtocht naar Bauchliet, is er iets te regelen?” Dat is het eilandje waar de vervuiling vandaan komt. Claude antwoordt: “Ik kan u wel brengen.” “Idealiter zoek ik iemand die mij de komende één a twee weken kan vergezellen.” “Ik kan u alleen brengen, voor vijf goud.” “Dank u, maar dan zoek ik wel iemand anders.” Ze worden het eens op vijf zilver. Claude pakt de eerste de beste boot die al af is en vaart met zijn extra goede zeiltechniek in drie uurtjes naar de overkant. Onderweg zien ze de vervuiling, er drijft groen slijm op het water en overal drijven dode vissen en vogels.

In het paleis mag Adrarn de training geven. Hij kiest voor martial arts training en dat lukt aardig. Risha stelt aan Chang voor om zijn lijfwacht Bruiser, die al vanaf zijn geboorte bij hem is, tot sergeant van de paleiswacht te bevorderen. Dat vindt Chang wel goed. Daarna gaat hij met Strega, die zich bij hem had aangesloten nadat ze wegens beschuldiging van hekserij van huis was weggevlucht, naar Sandra en Florence. Daar kan ze in de leer voor alchemist. Risha stelt voor om van spinnenzijde uit het magische bos een steelsilk jurk voor Chantal te maken. Dat zien de drie wel zittten. Dan maken ze er gelijk ook voor henzelf. Malice, brahmanenzoon uit Satem en priester van Risha’s cultus, is bij de brahmanen in de leer en wordt priester in de Oaken cultus.
Arjan’s vrouw komt naar het paleis. Arjan is ziek. Risha gaat er met Chang en enkele brahmanen heen. Hij is zwak want hij is besmet met de pest. Chang zorgt dat hij wordt geïsoleerd. Met spirit detecting glance ziet Chang dat er een pestgeest zit die hem langzaam wurgt. Risha trekt zijn lichtzwaard en slaat de geest van de oude koning af. Daarna slaat Chang het spook dood. Er zitten er nog meer: een kleinte bij Arjan’s vrouw en er loopt een spoor naar de stallen. Drie stalknechten zijn besmet. En de bron van besmetting blijkt het zadel van Risha te zijn. Het paard zelf is schoon, maar er zit wel nog ene geest op een balk. Als we daarmee hebben afgerekend is het paleis weer schoon.

Claude komt aan bij het eiland. Er zijn houten steigers, geladen bootjes, ezels die met manden van de berg af komen. Korte, gedrongen mannen doen het werk. De lucht is hier nog viezer, de slijmlaag is extra dik, de planten zijn bijna dood en zo. In de lucht die uit de vulkaan komt, zit een gas dat bij aanraking met water dat groene slijm vormt. Célène vraagt nogmaals of hij geen zin heeft om met hem mee aan land te gaan. Nee, hij wil echt niet met haar mee en gaat terug.

Gwan heeft geen visioen gehad. Hij neemt afscheid van de monniken en gaat naar het Zuiden. Onderweg komt hij wat schapenhoeders tegen, maar er zijn geen andere reizigers op deze weg. De bosrand is in grijstinten aan het veranderen. Er is een god onderhouden pad met twee nette wachthuizen van de tulbandmannen. Gwan en de brahmaan mogen probleemloos passeren. Het bos is rustig, saai zelfs. Dan wordt het sel donker. Er staan geen sterren aan de hemel en er is geen maan. Om zes uur slaan ze kamp op.
Chang en Risha zitten op dat moment aan het avondeten. Ze maken plannen om de pestgeesten in Bronwë versneld te gaan verslaan want die zijn nu aan het uitbreken. Chang wil morgen al beginnen. Vanavond gaan we voorbereiden en rusten. Chang stelt Adrarn aan als plaatsvervangend commandant.
Claude is terug. Er is goed doorgewerkt. Hij overlegt met de botenbouwer over wat er beter kan en daarna gaat hij kijken hoe het met Daguerre gaat. Die is en stoofpot aan het maken. Het wordt een gezellige avond. Ze is niet zuinig met haar gunsten. Voor Claude is het gratis. “Ze wilden niet dat ik mijn eigen geld verdiende. Maar het waren hun mannen die zelf bij me langs kwamen. Dat ligt aan hun, niet aan mij.” Het wordt een gezellige avond, en het blijkt dat ze ook nog een beetje kan zeilen.

12-iv-R1
Gwan maakt in het woud een rustige, ordelijke nacht mee. Er zingen geen vogeltjes als hij wakker wordt. Na een halve dag zijn zij nog steeds niemand tegen gekomen. Het wordt steeds donkerder. Maar de zon is nog wel zichtbaar. Het is een soort onaards licht. Ze passeren een aantal wachtposten. In dit licht zijn de wachters wel in volle kleuren te zien, het is zelfs indrukwekkend. “Halt. Bent u hier al eerder langs geweest?” vraagt de wacht. “Nee, dit is de eerste keer.” “Dan vragen wij slechts een formaliteit van u. Er is maar één regel: gooi dit muntje in de wensput en dan mag u verder gaan.” Ze krijgen een bronzen muntje uitgereikt.
Even verderop is de open plek. Het oude huis is mooi opgeknapt en de toren ziet er goed uit. Het wordt bewoond door tulbanden van wat hogere rang. De sfeer is heel relaí. In eerste instantie willen ze geen muntje in de wensput gooien, maar als ze merken dat de open plek helemaal omringd is door de Wyld, doen ze het alsnog. De brahmaan mompelt er wel een gebedje aan Oaken bij. Dan opent zich het normale bospad voor ze en kunnen ze verder trekken.

In Arjan’s Abode is Adrarn vandaag de baas van het exercitieterrein. Hij oefent twee kata’s met de manschappen. Sandra en Florence komen hem ’s middags aanmoedigen. Chang en Risha vertrekken met een paar soldaten naar Bronwë. Daar aangekomen ziet Chang (met Spirit Detecting Glance) dat het magische bos vol mythische diergeesten zit die geen fysieke vorm hebben. De weg naar de stadsheuvels is bezaaid met dode en stervende pestgeesten. Het poeder heeft blijkbaar toch zijn werk gedaan en de geesten verlaten de stad. Hij laat Risha zijn lichtzwaard tevoorschijn toveren. “Het is heel belangrijk dat jij het met je zielezwaard doet. Je kunt gewoon wachten tot ze alemaal dood zijn. Maar op deze manier stel jíj een daad.” Op Changs aanwijzingen maait de koning de geesten neer. Als ze in het stadje aankomen kan iedereen ze zien en dat maakt het een stuk gemakkelijker. Tegen het vallen van de nacht heeft hij een groot deel van de priesterstad schoongeveegd. Alleen de vrouwenverblijven moeten nog, en bij de vuurplaats van Saman is een heel sterke gloed van een pestgeest die niet aangedaan is door het poeder van de brahmanen. Chang vecht mee tegen deze geest. Maar dat is eigenlijk niet nodig, want Risha zet zijn sterkste combo van charms in en laat een regen van slagen op het monster neerdalen. Als de geest verslagen is, blijft er in de gebarsten rituele ketel een bijtend stofje achter. Het lijkt een beetje op het anti-geesten poeder van de brahmamen maar is anders van samenstelling. Dit is een goed moment om kamp op te slaan.

Claude is verder aan het bouwen. Hij maakt onderdelen van zijn duikklok en op de werf maakt hij ook
Katrollen en windassen. Plus een hele grote, zogenaamd als oefenmodel, maar in werkelijkheid bedoeld voor de duikklok. Daguerre is voor zichzelf begonnen en de werklui maken graag van haar diensten gebruik. Er gebeurt verder niets bijzonders.
Gwan is in de herberg aangekomen en pakt daar een pint. Als er een gezelschap tulbanden binnenkomt, wil de brahmaan bij hen gaan zitten. Het is een interessant gesprek en als snel zit de jonge priester met de eenoogaanhangers te drinken en te lachen. Gwan blijft saai aan zijn tafeltje zitten en gaat vroeg naar bed. Zijn metgezel maakt het laat. In bed voelt Gwan de verleiding om zich bij het gezelschap aan te sluiten, maar hij houdt stand.

14-iv-R1
De eerste gasten komen aan uit Selene en Vixen. Risha en Chang laten de vrouwelijke brahmanen komen. Daarna gaan ze naar het kasteel, dat is al nagenoeg leeg. En dan gaan ze door naar de ambassadeurs stad, waar ze nog niet eerder waren geweest. Hier zijn mooie huizen, brede lanen, een paradeplein, elizees en zo. Alles is wel oud en vermolmd net als in het priesterstadje. Het is hard werken, maar ze krijgen ook deze hele stad vrij van geesten.
Vandaag krijgt Claude zijn duikklok af. Hij brengt de onderdelen naar de keukencatamaran en assembleert daar het geheel.
Gwan en de brahmaan maken tempo om nog vandaag in Arjan’s Abode aan te komen. De brahmaan merkt op dat zijn horizon verbreed is. Hij voelt niet meer de noodzaak om zijn ochtendgebeden te doen. ’s Avonds komen ze aan. Er is ook in Gwan iets veranderd. Alsof hij de wereld in een beter, helder licht ziet. Hij vindt de brahmanen hier nu maar onfrisse types. Op zijn slaapkamer vindt Gwan het afscheidsbriefje van Claude. Hij leest: “Pas op Risha, hij is nog jong. Wij zien elkaar weer op het slagveld tegen Eénoog!” Slagveld, denkt Gwan, er zijn toch betere wegen? Welvaart brengen is toch prima? … Dan gaat hij praten met de ambassadeurs. Hij merkt dat de kleuren in het paleis te fel zijn en pijn doen aan zijn ogen. Teveel prikkels, te moeilijk. Het leven kan zo veel simpeler.

Aan het einde van de middag komen Sandra en Florence de vrouwenverblijven openen. De carrion crawlers bieden weinig weerstand tegen het geweld van twee dawn-caste solars en het verslaan van de overgeleven pestgeesten is verder een fluitje van een cent. Ze zijn toe aan grotere uitdagingen. Risha reist als ze klaar zijn spoorslags naar Arjan´s Abode om de viezigheid van zich af te wassen en de gasten te begroeten. Chang komt later op zijn gemak. Gwan is blij ze weer te zien. Hij heeft een boel te vertellen. Zijn reis heeft 30 goudstukken opgelerd, en er is heel veel handel opgezet. Risha zit erg met de moord op de Revolotionaire Raad van Shearton in zijn maag. En hij vindt het jammer dat Gwan geen contact heeft gezocht met de lunars, maar daar komt vast nog wel een gelegenheid voor.

3 xp

Advertenties
Dit bericht is geplaatst in Exalted.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s